Geduld (3e zondag veertigdagentijd, C)

Mensen zijn altijd bang dat het lijden dat hen overkomt hun eigen schuld is, dat het een straf is voor wat ze hebben misdaan. Religie versterkt dit vaak nog: als ons iets overkomt, dan is het omdat God ons straft, ons een fout betaald zet. Lijden is een tuchtiging van God, nog het Nieuwe Testament heeft dergelijke bedenkelijke verklaringen van het lijden.


Jezus gaat daar in de eerste zinnen van het evangelie van vandaag duidelijk tegenin. Hij wijst op de absurditeit van deze redenering: zouden dan alle mensen die het goed hebben heilige boontjes zijn en allen die afzien grote zondaars zijn? Als Jezus eraan toevoegt dat men zich moet bekeren of dat anders iedereen een beproeving kan treffen, is absoluut geen hernemen van die dreiging, maar een waarschuwing dat lijden en dood onwillekeurig iedereen zomaar plotseling kan treffen en dat elkeen daarom moet zorgen een goed geweten te hebben.


De kleine parabel die erop volgt heeft dezelfde boodschap. Een wijngaardenier heeft geen geduld met een onvruchtbare vijgenboom. Is deze wijngaardenier God? Er zijn immers meerdere parabels die God daarmee vergelijken. Heeft God dan geen geduld met ons? Is de man die de wijngaardenier vraagt om nog wat geduld te hebben dan Jezus, die een toornige Vader moet verzoenen, bijvoorbeeld door zijn offer aan het kruis? Dat is niet zo’n fraai godsbeeld. Maar ondertussen heeft de bijbelexegese ons helpen begrijpen dat een parabel vaak maar één pointe heeft, en dat het fout zou zijn om alle andere details ervan ook op God toe te passen.


Dat helpt ons om te begrijpen dat Jezus, die anders altijd over de tederheid en het geduld van God sprak, ook hier enkel het tedere geduld van God met ons wil onderstrepen. Het is alleen de man die smeekt om geduld, en die wil gaan spitten en mest aanbrengen, die we mogen vergelijken met God. Zo krijgen we dan net niét het beeld van een ongeduldige en toornige, veeleisende God, maar van een God die medelijden met ons heeft en ons verdedigt tegen wie geen geduld met ons heeft. Een God die de grond van ons hart in het zweet van zijn aanschijn gaat omspitten - en spitten is noeste arbeid -, een God die mest op zich neemt, die zich vuil en vies maakt om ons vruchtbaarder te maken, om ons te laten groeien en bloeien. Een God van eindeloos geduld met ons.


De bange vraag van zijn tijdgenoten over een misschien straffende God is voor Jezus de dankbare aanleiding geworden om een ander en nieuw godsbeeld te brengen. God is niét de met lijden beproevende strenge en veeleisende God, maar de God die tot ons komt om ons te genezen. Jezus is de spittende, bemestende man, beeld van God zelf.

Het is met dit godsbeeld dat wij naar Pasen toe moeten gaan. Niet altijd heeft de christelijke traditie dit zo helder durven zien. Ergens vinden wij een berispende God blijkbaar geruststellender, en daarom hebben wij hem steeds weer zo verbeeld. Ook het christendom, de ene stroming al meer dan de andere, heeft ons voorgehouden dat God een strenge rechter is, die weinig mensen redt en dan nog doorheen beproeving en vagevuur. Een God die verzoend moet worden, door een vreselijk kruisoffer, te zien als een boetedoening in onze plaats, een plaatsvervangend lijden.


Is het niet beter Jezus’ lijden en dood te zien als een bewijs van zijn onvoorwaardelijke en totale liefde voor God en voor ons, een bewijs dat God niet nodig had omdat hij het hart van zijn zoon wel kende, maar dat Jezus in pure gratuïteit toch heeft willen brengen? God wàs al altijd verzoend met onze zondigheid, en het kruis is zeker niet wat hij verlangde of nodig had om verzoend te wòrden. Het kruis dat wij op Goede Vrijdag vereren en waar wij deze veertigdagentijd naartoe wandelen, is juist de openbaring van zijn kwetsbare liefde voor ons, die niet wil slaan en liever onze slagen absorbeert. Het kruis is de openbaring van Gods tedere geduld.

Niet God heeft zijn Zoon geslagen, maar wij hebben dat gedaan en God leefde in Jezus die liever zich liet slaan dan terugsloeg. Het kruis en de onvruchtbare vijgenboom dragen net hetzelfde godsbeeld uit: God is ‘het geduld van het rijpen’, dat zich liever laat martelen uit liefde dan dat hij ons ook maar het minste kwaad of leed zou berokkenen. Het kwaad zit in de mens en in de oppervlakte van de mens, het zit niet in God die in het diepste van de mens is als zijn gloeiende kern, geduldig wachtend.


Daarom past de eerste lezing schitterend bij het evangelie van vandaag. Als God het diepste van zijn mysterie aan Mozes openbaart in de brandende braambos, dan is het dat hij een trouwe aanwezigheid is in de beproeving van het volk Israël in Egypte. God is nabij, hij begeleidt het lijdende volk, hij is de God die met ons is, die met ons meegaat. Jezus aan het kruis is hét godsbeeld dat God met ons is, met ons meegaat, aanwezig is in onze moeizame aardse levenstocht.


Dat is wat christenen aan deze vermoeide en bange wereld te zeggen hebben: Wees niet bang, God gaat met ons mee, hij zal om ons heen spitten en mest aanvoeren opdat wij kunnen blijven groeien en bloeien. Wij staan er niet alleen voor, er is een godsmysterie dat ons draagt en stuwt. Laten we vertrouwvol delen in Gods tedere geduld, het geduld van het rijpen.

Recente blogposts

Alles weergeven

Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel

In elke cultuur vinden we oerbeelden, dat zijn symbolen waarmee mensen hun leven organiseren. Zo hebben we de bron, het kruis, de oude wijze, het kind, en nog vele andere. In het christendom zijn hist

Homilie 13e zondag door het jaar (C)

In de lezingen van vandaag roept Jezus ons tot radicale navolging. In de christelijke traditie werd er een onderscheid gemaakt tussen de gewone christenen en de religieuzen. Van deze tweede groep werd

Zesde zondag in de Paastijd

De eerste lezing van vandaag illustreert wat Jezus in het evangelie van vandaag zegt. De eerste christengemeenschap luistert naar de Heilige Geest en dringt zodoende door in de boodschap van Jezus, de