Relatie (27e zondag, jaar B)

Bijgewerkt: 9 feb 2019

‘In het begin was het Woord’, zo vangt het Johannesevangelie aan. De Joods-Duitse filosoof Martin Buber heeft daar een variant op gemaakt: ‘In het begin was de relatie’. Daarmee heeft hij de essentie van de bijbelse openbaring schitterend gevat en verwoord.


Het Joodse volk leeft vanuit de relatie met God, mensen leven vanuit de relatie met elkaar. Het Ultieme is relatie en relatie is het ultieme. Het gaat niet om God of om de mens, het gaat niet om de éne mens of om de ander, het gaat niet om identiteit of inzet voor de ander. Het gaat steeds om de relatie tussen beide. Leven is dialoog, samenspraak en samenzijn, relatie dus, van het pasgeboren kind tot de stervende, van de sociale assistente tot de eenzaamste kluizenaar. Dat is de kern van de bijbelse openbaring — al is het evengoed de kern van de andere religies. Daar heeft Jezus zijn leven voor gegeven, om dit zijn voor elkaar en met elkaar te openbaren. Dat moet de taak van de kerk zijn in deze maatschappij: de relatie dienen. Ik kan maar bestaan omdat jij bestaat en mij de ruimte geeft om mezelf te ontplooien. Jij kunt maar bestaan omdat ik jou de zijnsruimte geeft om jezelf te ontplooien. Leven is noodzakelijk verbond en verbondenheid.

Dat is ook de inzet van de woorden van vandaag. Ook Jezus toont zich hier een volmaakt kenner van de bijbelse openbaring en de bijbelse God. ‘In het begin schiep God de mens als man en vrouw’, dit wil zeggen,:als bestemd voor elkaar, om een eenheid van liefde te vormen die vruchtbaar is. Man en vrouw zijn in dit geval natuurlijk maar bedoeld als symbool van elke vorm van tweeheid en relatie. Het kan ook gaan om twee mannen of twee vrouwen, of ouder en kind, vriend en vriend. God heeft de mens bedoeld om in liefde voor iemand anders te kiezen en deze liefde trouw te blijven door dik en dun.


We hebben van deze Schriftpericope een bevelschrift gemaakt, waarin Jezus zou bepalen dat het huwelijk absoluut onontbindbaar is, maar was dàt wel wat Jezus bedoelde? Misschien was het er Jezus niet om te doen wetten op te stellen maar om diepe oriëntaties mee te geven, waar wij dan gewetensvol moeten mee omgaan. Liefde moet, te allen tijde, maar de feitelijke invulling van die keuze is wellicht een zaak van het persoonlijke geweten — dat natuurlijk verstandig en wijs moet opgevoed worden.


Het ultieme of wat wij God noemen is liefde, en liefde is het ultieme, is God. Wij moeten in de goddelijke Liefde geloven, haar dienen, haar gehoorzamen. Hoezeer is de mens op zoek naar zelfstandigheid en vrijheid! Maar is er wel echte autonomie en vrijheid buiten de ruimte van de liefde en de dialoog? Kunnen wij ons diepste zelf vinden en ontplooien zonder lief te hebben, zonder de liefde te dienen? Hoe meer de mens kiest voor zichzelf, hoe minder hij zichzelf lijkt te bereiken…


Liefde is onze diepste kern, zegt Johannes van het Kruis, de karmelmysticus, en in die goddelijke liefde die in ons is kunnen wij steeds verder doordringen zonder dat er ooit een einde komt aan deze reis naar onze diepste kern, naar de liefde, naar God. De liefde is een heer, een dame die wij moeten gehoorzamen, zoals Dante aan zijn Beatrice gehoorzaamde, zoals Jezus aan zijn Vader vooral.


In het begin was dus de liefde, de liefde waarmee een jongen en een meisje besluiten om een vruchtbare relatie te beginnen, de liefde waarmee een moeder haar kind in de wieg aankijkt, de liefde die iemand die stil wordt en probeert te bidden durft te geloven. Het is de kern van de godservaring van Jezus die de kerk wil verder geven.


Als wij halt houden en ons de vraag stellen wat de zin en de essentie van het bestaan is, dan geloven wij dat wij bemind worden, dat er iets of iemand is die ons toespreekt: ‘Ik wil dat je leeft!’ (Ez. 16) ‘Wees niet bang, klein wormpje Isräel, want Ik heb je lief!’ (Jes 40) ‘Vader’ — zo sprak Jezus dit mysterie aan dat diep in hem en in elke man en vrouw spreekt. De liefde spreekt en zij schept. De liefde wil beluisterd en nagevolgd worden, omdat zij alleen ons vrij kan maken.


Christenen moesten kleine profeten van Gods grote liefde zijn. Dat is een opdracht die ons bescheiden maakt. Want deze liefde is een grote schat voor de broze vaten die wij zijn. Wij hebben het zo moeilijk om trouw te zijn aan de liefde, en daarom siert bescheidenheid ons en vooral het gebed, dat ons probeert te openen voor die liefde die van elders komt en veel ‘groter is dan ons hart’.