Kerstmis (jaar C)

Bijgewerkt: 9 apr 2019


Het is een waagstuk van de kerk om op deze hoogdag zo’n moeilijk evangelie aan te bieden, maar het loont de moeite er toch bij stil te staan. Natuurlijk is het de kerk vooral te doen om dat centrale zinnetje: het Woord is vlees geworden.


Dat betekent dat in de mens die Jezus was God helemaal aanwezig is gekomen, dat in Jezus’ spreken God zelfs sprak, zonder enige vertekening. We mogen geloven dat het joodse volk een sterke en diepe spiritualiteit heeft ontwikkeld doorheen de eeuwen, die zijn hoogtepunt bereikte in de geschriften van de grote bijbelse profeten, die zelf inspiratie boden aan de ‘armen van de Heer’, dat is de naam die gegeven werd aan de bevolkingslaag van arme een eenvoudige vrome joden die in Palestina leefden. Onder die armen van de Heer groeiden Maria en Jozef op, waarvan de Schrift zegt dat de laatste buitengewoon rechtvaardig was en de eerste geheel zonder zondigheid opgroeide. In die context is Jezus opgegroeid met een hart en geest die wagenwijd openstonden voor God, zodat God restloos bezit kon nemen van hem. Jezus’ woorden waren Gods woorden, korter en bondiger: hij is Gods Woord, vlees geworden.


Maar even belangrijk in die moeilijke Proloog die we hoorden is de affirmatie dat Jezus de Zoon van God is. Door diezelfde inbedding van Jezus in een heel vrome bevolkingslaag en in een uitzonderlijk heilig gezin, was Jezus helemaal relatie met God, oneindig verbonden met God, met een intimiteit die de intimiteit is tussen ouder en kind, of vader en zoon. Jezus wist zich elk ogenblik geborgen en geboren in en uit God. Niet alleen zijn spreken maar ook zijn hele zijn was in God. In de vier evangelies en misschien vooral in het Johannesevangelie komt dat tot uitdrukking. Jezus kwam van de Vader en ging naar de Vader, zo zegt hij; hij weet dat de Vader hem nooit alleen laat, dat hij en de Vader één zijn, hij doet niets dat hij niet de Vader ziet doen, enz. Dat heeft de kerk heel goed begrepen en er de sterke Christusleer van gemaakt die we hebben.


Maar wat we ook moeten zien in deze Proloog is dat Jezus niet het alleenrecht op het Zoonschap opeist of openbaart, maar dat hij juist onze opneming in die relatie komt openbaren. Wat Jezus te zeggen heeft is juist dit zoonschap. Als we terugkijken nar het laatste vers, dan horen we dat hij die aan het hart van de Vader was hém God heeft geopenbaard, doen kennen, letterlijk staat er, ons heeft geïntroduceerd in God. Halverwege de Proloog horen we dat hij ons het vermogen gaf om kinderen van God te worden. Dat was de zending van Jezus: zelf helemaal kind van God worden én ons met zich meenemen naar die plaats, ons leren zelf ook kind van God te worden. Wij zullen het nooit worden in de volheid van Jezus, daarom noemen we hem zoon en onszelf slechts kinderen, maar dàt is onze roeping. Zozeer opendoen voor God en voor de relatie met God, ingaan op de uitnodiging met God verbonden te leven zoals een zoon of dochter met haar vader of moeder verbonden leven.


Als gewone mensen leven wij uit onszelf, vanuit onze behoeften en veronderstellingen, vanuit onze driften en angsten, waardoor onze omgang met elkaar zo gebrekkig en zelfzuchtig, ja zondig is, al horen we dat niet graag. God is liefde, en de diepste werkelijkheid van onze persoon. Elk ogenblik ontvangen wij het leven, dat is Gods scheppingsliefde in ons. In plaats van die generositeit tegenover elkaar te beleven sluiten wij ons af. Wij zeggen dat wij van onszelf zijn en niets te maken hebben met elkaar. Maar Jezus zegt ons dat wij het geschenk van God zijn, dat hij ons diepste wezen maakt, dat hij onze Vader is en wij zijn kind, en dat wij dus geen vreemden voor elkaar, maar broer en zus van elkaar zijn. Wat Jezus in volle realisatie is, dat zouden wij eigenlijk ook kunnen en moeten zijn, ware het niet van onze egocentrische blindheid.


Daarom het Woord, dat ook de Zoon is. De Proloog is daar de schitterende boodschap van, die de kerk aan alle mensen op aarde wil meegeven. Jezus was helemaal verbondenheid en vriendschap: verticaal met God in zich, horizontaal met alle mensen rondom hem. Dat is menszijn, dat is onze roeping nu: wéten en beleven dat God onze diepste werkelijkheid is, de bron van liefde die elk moment in ons opwelt; en wéten dat hoe verschillend wij ook zijn en met conflicten tegenover elkaar staan, dat wij allemaal diezelfde bron in ons hebben, familie zijn van elkaar, sterker nog, één zijn met elkaar. De Proloog is de lofzang van de roeping van de mens, die wij in deze liturgie willen inoefenen: eenheid, de eenheid van kinderen van eenzelfde, universele familie van God.