Liefdevolle aanwezigheid. Mindfulness in de wereldreligies

Bijgewerkt: 9 feb 2019

(Dit is een oudere tekst van me, die ik hier op mijn blog plaats...)


Er is een grote behoefte en een groot verlangen naar aandacht, naar aandachtig leven vandaag. Dit heeft alles te maken met de jacht en het rumoer van onze hedendaagse samenleving. Uiteindelijk heeft deze nood aan aandacht of mindfulness religieuze wortels.


Dat is wat we graag van naderbij willen bezien in deze eerste bijdrage van het symposium. Hoe beleven de diverse wereldreligies deze aandacht, hoe denken zij die en welke wegen ernaartoe leren zij ons?


1. Aandacht in het boeddhisme


Laten we eerst naar aandacht in het boeddhisme kijken. De hedendaagse interesse in mindfulness heeft immers veel te danken aan de bewegingen en groeperingen die sessies van therapeutische mindfulness aanbieden, gestoeld op de praktijk van de Amerikaanse Jon Kabat-Zinn, die zijn mosterd gehaald heeft in het boeddhisme en bij de bekende Vietnamese zenleraar Thich Nhat Hanh.


Het mag meteen duidelijk zijn dat de boeddhistische mindfulness geen randfenomeen is, maar een pad dat naar het ultieme leidt. Het boeddhisme geeft geen inhoudelijke, conceptuele invulling van dit ultieme. Het wil alleen in een onmiddellijk contact brengen met dit ultieme, een contact dat bevrijdt en heelt. Wat de mens verhindert open te bloeien, gelukkig te zijn en zijn eigen persoon te ontwikkelen, is immers het zich vastklampen aan het ego. We hebben een eindeloze dorst naar hebben en zijn voor onszelf, en dat put ons uit en fragmenteert ons. Bevrijding ligt in het laten uitdoven van deze behoeften en hun ikgerichtheid.

De weg hiernaar bestaat uit het nauwlettend waarnemen van dit mechanisme van onze behoeften. We kunnen leren zien hoe we telkens weer dorstig worden en ons op sleeptouw laten nemen door een ego dat zich onderscheidt en afscheidt van anderen. De juiste aandacht zal tot de juiste wijsheid leiden. Meditatie, begrepen als stil gaan zitten om aandachtig te worden, neemt dus een cruciale rol in het bevrijdingsproces in. Thich Nhat Hanh spreekt van 'stoppen'. Traditioneel sprak men van kalmtemeditatie die dan overgaat in inzichtsmeditatie.


Hoe ziet dat inoefenen van rust en aandacht er concreet uit, en hoe ontwikkelt die diepe kennis van de werkelijkheid zich? De hele boeddhistische traditie heeft de ervaring en de pedagogie van de Boeddha verfijnd. Zodra we 'stoppen' en stil staan bij onszelf worden eerst en vooral geconfronteerd met ons lichaam, met zijn processen en sensaties. Een onaangename druk hier, een storend geborrel daar. Door dit neutraal te observeren krijgen we er inzicht in en afstand tegenover. Het blijkt allemaal iets dat ons overkomt en gauw weer weggaat, niet wezenlijk met ons verbonden. Na het lichamelijke kunnen we achtereenvolgens steeds diepere lagen van onze beleving gewaar worden, observeren en door die rustige, zakelijk-kritisch en tegelijk liefdevolle blik erop, ervan loskomen. Dan zien we hoe relatief alles is en hoe alles komt en vergaat. We maken dit mee, we zijn dit niet.


Het is niet zozeer een kwestie van nadenken over onszelf, maar van alles goed bewust worden, opmerken, aandachtig bekijken. Na maanden en jaren van aandachtige waarneming maken we ons een diepe wijsheid eigen over het functioneren van ons eigen innerlijk en van de samenleving rondom ons. Die wijsheid laat ons toe alles in een grote verband te plaatsen en onszelf te beleven als een schakel in een kosmische keten, niet op onszelf bestaand, als een eilandje, maar door en door bepaald en verbonden met alles wat is. Het ego verliest zijn scherpe grenzen, we voelen ons samen-zijn in lief en leed met alle andere mensen. In plaats van angst om het eigen ik komt milde betrokkenheid op elke ander, in plaats van ikkigheid komt universeel mededogen. 'Alle wezens lijden net als ik, ik zal goed voor hen zijn…'


Aandacht in het boeddhisme is duidelijk therapeutisch en is de praktisch-pedagogische zijde van een wereldvisie die het bestaan als afgescheiden ik ziet als tot onvervuldheid leidend, een gemis dat alleen kan genezen worden door de basis ervan te transformeren, door van een ik-individu te verwijden tot een wij-mens. Het automatisme van de dagelijks leven wordt doorbroken door een corrigerende en tedere waakzaamheid en steeds weldadiger ervaring van vrijheid en eenheid.


2. Aandacht in het hindoeïsme


Het boeddhisme was een hervormingsbeweging binnen het hindoeïsme, die uiteindelijk helemaal haar eigen weg is gegaan. In het oude, vedische hindoeïsme stond de ervaring van het Ultieme als kosmische aanwezigheid en de inschakelijking van de mens in deze wereldorde door het offer centraal. Deze ervaring van aanwezigheid en vereniging ontaarde echter in levensvreemde speculatie en ritualisme.


Naast de Boeddha ontstonden er nog andere stromingen die opnieuw naar de essentie zochten. In de eeuwen kort vóór de christelijke tijdrekening ontstonden geschriften die de diepere meditatie voorstelden als weg tot gelukzalig persoonlijk contact met het Ultieme. Deze geschriften zoeken de aanwezigheid van het Ultieme in de stilte van het eigen hart, in een niveau van onszelf waar gedachten en gevoelens wegvallen. Daar wordt de omringende werkelijkheid niet meer als een afgebakend dit of dat ervaren, maar als een Eenheid waarin verder niets meer te onderscheiden is, als Aanwezigheid zonder verdere opdelingen of vormen. Deze ervaring van stilte en eenheid, de ervaring van het niet-twee zijn van de werkelijkheid, is tegelijk persoonlijke integratie, authentiek contact met de kosmos en het vinden van het Transcendente of Ultieme in onszelf.


Al wat is, is ten diepste hetzelfde, God. De diverse schepselen zijn maar vormen voor deze unieke realiteit, God. Deze God is het zijn diep in en onder alles; elk zijnde is een expressie van dit goddelijke zijn. Deze God is ook het bewustzijn dat in alle leven schuilt, niet van iets maar inhoudsloos, zuiver bewustzijn; de vele gedachten en gevoelens die we hebben zijn hier een afstraling en een fragment van. Deze God is tenslotte de diepe gelukzaligheid die we diep ins ons hart zouden kunnen gewaarworden, als dit of dat gevoelen van pijn of genot het niet kwam te overdekken. Onder alle inzichten en belevingen door schuilt onveranderlijk dit vervuld bewustzijn in elk van ons. 'Ik ben niet dit en niet dat, ik ben het goddelijke Zelf!'

Het is te bereiken en beleven wanneer we meditatief afdalen in onszelf, particuliere dingen en ervaringen leren loslaten en aandachtig bewust worden van dit bewustzijn. Aandacht, gewaar worden, bewustzijn staat dus in de hindoeïstische wereldvisie absoluut centraal als de goddelijke kern van alle wezens. Deze aandacht kunnen we niet zozeer hebben als eindelijk worden. Dan vinden we stilte, vrede, rust, bevrijding van al wat ons kwelt.


In het hindoeïsme wordt bevrijding gesitueerd in het loskomen van het alledaagse en zijn zogenaamde dualiteiten van arm en rijk, pijn en genot, hindoe of boeddhist om in de ervaring af te dalen van stille, vredige, vervulde bewustzijn. We zijn méér en dieper dit Gelukzalige-Bewuste-Zijn dan we onderhevig aan beperkingen, grenzen, prikkels en emoties. Ons dagelijkse bewustzijn van zaken kan door training en meditatie plaats maken voor het zuiver gewaar zijn hier en nu. De aandacht voor dingen wordt aandacht voor de aandacht zelf, of liever aandacht zonder meer, zonder dingen die nog de aandacht trekken. Onder de vele dingen buitenaf en binnenin worden we het zijn gewaar, het bewustzijn, de diepe objectloze vrijheid en vreugde. In dit vereenvoudigen en verstillen speelt het herhalen van een heilig woord, de mantra, in vele stromingen een grote rol: de éne gedachte verdringt de veelheid van gedachten tot uiteindelijk zuivere aandacht of ‘keuzeloos gewaarzijn’ overblijft.


Dit waarnemen van het Ene onder/in het vele ging echter in de loop van het hindoeïsme tot een minachting van het vele leiden. Er trad in dit zgn. 'vedantische' hindoeïsme een intellectuele verharding op. Men begon te stellen dat de talrijke kosmische fenomenen en innerlijke gewaarwordingen bedrieglijke illusie waren, d.w.z. schijn, de irreële opsplitsing en veruitwendiging van de in feite alleen maar innerlijke werkelijkheid van het ene Bewustzijn. De dingen misleiden ons: we verliezen het gelukkige gewaarzijn door dat we blijven stilstaan bij uiterlijke deelaspecten.


Tegen deze reductie van de kosmos en het lichaam tot pure schijn kwam een stroming in opstand die we later het 'tantrisme' zijn gaan noemen. De tantrische wereldbeleving zegt dat de wereld geen schijn is maar het sacrament is van God. Hij verbergt zich in alle vormen om zó door ons in hen te kunnen worden ontdekt en waargenomen. Alles is dan bruikbaar voor meditatie en daartoe ook bedoeld. Aandacht is dan niet zozeer alle vormen loslaten om zuivere aandacht te bereiken zonder inhoud, zonder voorwerpen. Het is dan wel alles in de werkelijkheid om ons heen en ook onszelf te leren waarnemen als manifestaties van God, als plaatsen waarin het gelukzalige bewustzijn kan beleefd worden. Waar vedanta leidt tot een mystiek met gesloten ogen, van het zoeken van het Ene achter het vele, leidt tantra tot een mystiek met open ogen, tot het zoeken van het Ene in het vele. Het verschil mag subtiel lijken, het is in feite radicaal.

Twee citaten uit een basistekst van het tantrisme, de Vijnanabhairava, mogen dit verduidelijken:

Leegte, muur, of de gedaante van de guru: waar men de aandacht ook zo op richt – daar geraakt het bewustzijn opgeslorpt in zichzelf. (…) Wanneer een yogin opgaat in het onvergelijkelijke geluk dat hij ervaart bij het genieten van muziek of andere zinnelijke genoegens en als hij dan niets meer is dan dit geluk, eenmaal zijn gedachten stilgevallen – daar wordt hij helemaal Eén.


Aandacht of mindfulness staat dus ook in het hindoeïsme centraal. De menselijke conditie is gekenmerkt door verdeeldheid en onvrijheid, veroorzaakt door het feit dat we de ware dimensie van het leven verspelen wanneer we onze zintuigen volgen naar buiten toe en het contact met ons diepste zijn verliezen. Leren waarnemen wat ten diepste is, daar gaat het om, waarneming leidt tot bevrijding. Uiteindelijk zijn we restloze openheid voor al wat bestaat, hartelijke ruimte voor het Leven, eenmaal voorbij de scrupuleuze waakzaamheid over onze impressies. We zijn aandacht geworden, gewaarzijn van de diepte in de oppervlakte, van God in de kosmos en de mens. Dit is tegelijk liefde voor alles en geluk om alles.


3. Aandacht in het taoïsme


Het taoïsme is de levende religie van China. Het is een religie die bij de natuur en bij de natuurlijke gang van zaken wil blijven. Enkele eeuwen voor Christus krijgt het taoïsme een krachtige impuls door filosofische geschriften die dan het daglicht zien, vooral de Daodejing en de Zhuangzi. In deze twee geschriften wordt het arbitraire en eigenmachtige handelen van de mens gecontrasteerd met de spontane wijze waarop de natuur werkt. Hier blijkt meteen al een fijne observatie van de kosmos maar ook van de aard van de mens werkzaam te zijn.


De Daodejing gebruikt meermaals het beeld van het water om de aard van de kosmos te duiden. De kosmos is een proces dat spontaan ontspringt en eeuwig verder vloeit. Zij is de Natura naturans et naturata,, de scheppende en geschapen ultieme werkelijkheid. Moederlijke vruchtbaarheid is het fundament van de wereld, een fundament dat alles fundeert zonder zelf gefundeerd te zijn, dat er zomaar is, vanzelf. Het onuitputtelijke gave-karakter van de natuur zorgt ervoor dat de natuur ook een onophoudelijk verder gaat in nieuwe rijkdom en nieuwe kracht. Daarin lijkt de natuur dus op water, dat zomaar vloeit en niets voor zichzelf vraagt tenzij zich te mogen geven. Daarom is de natuur ook nederig en verzet zij zich niet tegen al wat haar stroom komt obstrueren. Het water past zich soepel aan een rotsblok op zijn weg aan en spoelt er langsheen, eindeloos langzaam de steen eroderend, zodat het uiteindelijk toch de obstructie afslijt, zonder zich er ooit tegen verzet te hebben. Door zich te laten doen bereiken de waterstroom en de natuur uiteindelijk toch hun eigen doel. Dit is handelen door niet te handelen, door te rusten, door stilte en vrede, zegt de Daodejing. 'Iedereen is druk in de weer, ik ben zo suf. Maar ik voed me aan de Moeder…'


Tegenover deze zijnswijze van de natuur staat de zijnswijze van de mens, die zich niet wil neerleggen bij de stroom van de werkelijkheid en haar het hoofd wil bieden door eigen activiteit en eigenwijsheid. In de plaats van te rusten in de eenheid, in de vrede en de stilte en van daaruit met het leven mee te stromen, biedt de mens verzet om de werkelijkheid aan te passen aan zijn eigen beperkte inzicht. De alledaagse mens volgt zijn zintuigen en verspeelt zijn krachten in de zucht naar genot en belevingen en in steeds complexer wordende bespiegeling over de werkelijkheid. Hij weerstreeft de moeiteloze gang van de werkelijkheid, put zich uit en verliest zichzelf. Dat is enkel mogelijk als de mens de diepe zin verliest voor de zijnswijze van de natuur, voor de natuurlijkheid, voor het vanzelf-zo, het moeiteloze werken vanuit de rust. De uitweg uit deze onnatuurlijke, prestatiegerichte eigenmachtigheid van de mens en al wat daaruit voortkomt aan frustratie en lijden, is dan ook om terug oog te krijgen voor de natuurlijke gang van zaken, voor het werken van de natuur, voor het geheel andere karakter van de kosmos.


Ook hier zien wij hoe gebrek aan aandachtige waarneming van de werkelijkheid ertoe leidt dat wij verkeerde handelwijzen en verhoudingswijzen aannemen. Ook het taoïsme is een therapie in de vorm van een terugkeer tot de natuur, de onzelfzuchtige creativiteit van de kosmos, die schuilt in de rust en zichzelf steeds weer regenereert. Het ultieme is in het taoïsme geen persoonlijke God, als wel het niet meer verder te achtervragen Tao dat alles doet ontstaan, zich ontplooien en terugkeren tot rust en dan weer in beweging zet.


Door die kracht te laten oprijzen in de rust en steeds weer terug te laten vloeien en zich herbronnen in de rust – het fameuze yin- en yangprincipe – kan er ook voor de mens steeds weer nieuwheid zijn en rijkdom. Bewust worden van Dat wat alles beweegt en het zich invoegen in die beweging vraagt echter een grote deemoed en bereidheid om los te laten. In de taoïstische yoga of psycho-fysieke lichaamscultuur wordt deze aandacht en soepelheid aangeleerd of herontdekt. Zo wordt de wijze langzaamaan een herder voor al wat is.


Waar de boeddhistische mindfulness dus eerder existentialistisch was, gericht op bevrijding vinden uit pijn en ongenoegen, en de hindoeïstische mindfulness dus eerder beschouwend was, het wezenlijke en blijvende ontdekkend in het vergankelijke, is de taoïstische mindfulness dus eerder praktisch, gericht op de best mogelijke efficiëntie en dus tevredenheid van de mens.


4. Aandacht in het confucianisme


Het confucianisme is in het Westen nog niet zo bekend. Nochtans is het één van de drie religies van het reusachtige China. Ontstaan in de eeuwen vóór de christelijke tijdrekening onder impuls van Confucius heeft deze religie een sterke heropleving gekend in de achtste en de twaalfde eeuw onder Zhu Xi. Het neo-confucianisme kent een sterke heropleving in het hedendaagse China. Ook de communistische regering van China zoekt weer toenadering tot het confucianisme als ethische levensbeschouwing. De meest bekende en dynamische vertegenwoordiger van deze derde golf van confucianisme in het Westen is de Amerikaans-Chinese professor Tu Weiming. Deze ziet het confucianisme als een niet-theïstische religie.


Het confucianisme steunt op dezelfde kosmologie als het taoïsme, maar concentreert zich minder op de natuur en meer op de mens als ethisch wezen. Hedendaagse confucianisten spreken van het confucianisme als een religieus humanisme of een transcendent humanisme. Men richt zich meer op het mysterie van de mens als een dynamiek die van het ik naar het wij reikt en van de zelfzucht naar de universele goedheid. Deze ethische religie leidt tot een mystiek van aandacht voor de mens en zijn lotsverbondenheid. Deze vorm van mindfulness vinden we op een gelijkaardige manier in de Afrikaanse religies. Een prachtige formulering van deze typisch confucianistische mindfulness vinden we in de zgn. Westerse inscriptie van Zhang Zai:


De Hemel is mijn vader en de Aarde is mijn moeder, en zelfs zo’n bescheiden wezen als ik vind daartussen zijn geborgenheid. Daarom beschouw ik alles wat het universum vervult als mijn eigen lichaam, en dat wat het universum bestuurt als mijn eigen natuur. Alle mensen zijn mijn broeders en zusters, en alle dingen zijn mijn vrienden. (…) Ieder onder de Hemel die moe, kreupel, uitgeput, ziek, zonder broer, zonder kind, weduwe of weduwnaar is zijn mijn familiegenoten, hulpeloos en zonder iemand om beroep op te doen. Voor hen zorgen, dat is het doen van een goede zoon.’


Hier botsen we dus op weer een andere dimensie van mindfulness. Niet de natuur of het innerlijk van de mens, maar zijn gemeenschappelijkheid komt in de focus te staan. De mensheid is een web van relaties en de individuele mens een knooppunt daarin. De meditatieve praxis in het confucianisme is erop gericht hier gevoelig voor te worden. Maar om deze interconnectie tussen alle mensen en levende wezens te kunnen zien dient het hart gezuiverd te worden, en daarvoor ontwikkelt het confucianisme ook een mystiek van het hart of van de aandacht voor het hart en zijn ingeboren goedheid.


5. Aandacht in het soefisme


Vele mensen zullen mindfulness spontaan verbinden met het verre Oosten in het algemeen of met het boeddhisme in het bijzonder. Veel minder bekend is dat ook de mystiek van de islam, het soefisme, een diepgaande praktijk van aandacht kent. Dit vloeit voort uit de Koran, waarin God herhaaldelijk oproept om naar de schepping en het eigen hart te kijken en daar de tekenen van zijn aanwezigheid te zien. Overal waar we heen kijken, daar is het aangezicht van God te zien, leert één van de belangrijkste zinnen uit de Koran. Omdat alle schepselen uit Gods scheppingsbevel voortkomen: Wees er!, dragen ze ook veel van God in zich: zowel hun vorm of essentie, die door hem is bepaald, als hun existentie, die door hem wordt geschonken. De soefi's ontwikkelden een panentheïstische godsvisie, waarin al wat bestaat uit God komt en in God hangt. God is de ene Essentie die zich in elk schepsel op een unieke wijze manifesteert. De islamitische geloofsbelijdenis verdiept zich in het soefisme dus van 'Er is geen god naast Allah' tot 'Er is geen werkelijkheid buiten God, er is niets dan God'. De grote Perzische mysticus Rumi zal God de enige 'Inhoud' noemen die in alle 'vormen' van de kosmos en de geschiedenis gestalte krijgt.


De taak en het geluk van de soefi is deze tekenen van God en deze alomtegenwoordigheid waar te nemen zowel in de kosmos en in zichzelf. Zo zien zij de bonte rijkdom aan eigenschappen en activiteiten die het transcendente mysterie, de ultieme, onveranderlijke werkelijkheid, God, aan de dag legt. Elk schepsel vertegenwoordigt een unieke eigenschap en dus een unieke naam van God. Niets is willekeurig, omdat alles wortels tot in het Goddelijke heeft moet het met de grootste zorg gezien en onthaald worden. Rumi heeft een prachtige tekst over de herberg van het hart, waarin elke dag een andere ervaring gastvrijheid moet onthaald worden. Net als vele soefi’s gebruikt Rumi een gelukkige uitdrukking om het wezen van deze religieuze mindfulness te omschrijven: het poetsen van het hart. Deze houding van aandacht en openheid voor het Goddelijke brengt de Andaloesische mysticus Ibn Arabi ertoe te zingen:


'Mijn hart staat open voor elke vorm: het is een weide voor gazellen, een klooster voor christelijke monniken, een tempel voor afgodsbeelden, de Kaaba van de pelgrim, de kleitabletten van de Torah en het boek van de Koran. Ik beoefen de religie van de Liefde. Waarheen ook haar karavaan trekt, daarheen begeef ik mij.'


Onophoudelijk vullen de soefi's hun bewustzijn met de eigenschappen van God die omgesmeed worden tot de 'Mooiste Namen van God'. Met behulp van gebedssnoeren, soms op het ritme van de ademhaling, soms onder het uitvoeren van bepaalde lichaamsbewegingen of dansvormen, worden deze namen van God zo onophoudelijk mogelijk bemediteerd. Dit tot men zich door diepe concentratie verliest in de identificatie met één of meerdere van deze namen. Deze praktijk wordt dhikr genoemd, ‘gedenken’, aandachtig zijn dus. Het ‘gedenken’ gaat terug op een steeds terugkerende uitnodiging van de Koran zelf om God indachtig te zijn in alle omstandigheden. In de Koran is de dhikr niet zozeer een gebedstechniek als wel een levenshouding waarbij men probeert Godvrezend, Godbewust te leven, aandacht op te brengen voor Hem, Hem waar te nemen in en om zich heen. De ware dhikr is het noemen van God in de objecten en gebeurtenissen die zich aandienen in het alledaagse leven. Gedenken is zijn aanwezigheid en mysterie waarnemen in de omringende werkelijkheid.


Gedenken is het eigen bewustzijn laten ondergaan in het bewustzijn van God, het bewustzijn dat God van zichzelf heeft in mij. Gedenken is niet zeggen: ‘Hier ben ik!’ – zoals in een bekend verhaal van Rumi – maar wel: ‘Hier ben Jij’. De willekeurige ervaring van het moment wordt geduid en benoemd als een ervaring van God. (‘Jij, jij, jij!’ – zo bidden de soefi’s voortdurend. Of wanneer zij zichzelf helemaal willen wegcijferen uit hun gebedsrelatie met God: ‘Hij, hij, hij!’ Uiteindelijk kunnen zij ertoe komen zich in het geheel niet meer bewust te zijn van hun schepselijkheid, en dan bidden zij: ‘Ik, ik, ik!’ Deze toestand is bekend geworden door de belijdenis van de Iraakse mysticus al-Hallaj, die in Bagdad rondliep terwijl hij uitriep: ‘Ik ben de Waarheid!’ De Waarheid is één van de belangrijkste en meest wezenlijke namen van God. Het was niet al-Hallaj als mens die dit zei, maar God in hem, voor wie hij zijn hele wezen had uitgehold en ver-niet, om nog slechts ruimte te zijn voor God.)


Zonde en kwaad zijn in de islam een zaak van 'vergeten', een kwestie van afwezig zijn ten aanzien van het goede, van God en diens wil. De Profeet vecht voortdurend tegen dit heilloze vergeten van de diepere waarheid achter de dingen en gebeurtenissen. Vergeten legt een sluier op het gelaat van God en over de ogen van de mens. Het gedenken, met de techniek van de dhikr of zonder, neemt die sluier weg.

Het vergeten wordt veroorzaakt door de spontane identificatie met deelaspecten van de werkelijkheid, zoals bezittingen, eer, genotzucht, intellectualiteit enz. Daarom heeft het aandachtig zijn voor God ook een morele en psychologische dimensie. Net zoals Teresa van Avila in haar Innerlijke burcht onderscheiden ook de soefi's concentrische kringen in zichzelf waar een bepaalde soort ziel (nafs) de plak zwaait. De soefi mystagogie gaat daarom een grote rol toekennen aan de observatie van zichzelf, aan de zelfkennis. Hoe dieper de soefi afdaalt in zijn eigen ziel, hoe rustiger de ziel wordt, minder op zichzelf betrokken en opener voor God. Men dient dit bij zichzelf waar te nemen. Een woord van de Profeet Mohammed wordt steeds herhaald in het soefisme: Wie zichzelf kent, kent zijn Heer. De psychologische mindfulness reikt tot in de spirituele kern van de soefi, waar het ikbewustzijn overgaat in het Godsbewustzijn.


6. Aandacht in de joodse mystiek


Welbeschouwd staat aandacht ook in het hart van de joodse mystiek. Als we de psalmen en de wijsheidsboeken lezen van het Eerste Testament, zien we een heel aandachtige contemplatie van de schepping en van de sporen daarin van Gods handelen en wezen. In de profetische literatuur wordt het beschouwen van de tekenen Gods in de schepping uitgebreid tot het aandachtige overwegen van de geschiedenis en de samenleving, om ook daar de goddelijke Leiding te vernemen. Vooral de profeet Jeremia heeft het over het luisteren naar God en de onwil van zijn volksgenoten om zijn stem te horen.

Dit gewaar zijn van de nabijheid van God in schepping en heilsgeschiedenis voert de vrome Joden tot een spiritualiteit waarin de dankbaarheid of de lof centraal staan en tot een extatische vreugde (die ook in het latere chassidisme terugkeert). Maar zij leidt ook tot het onderscheiden van eigenschappen in het duistere Godsmysterie.


De diepe dankbaarheid en eerbied (‘vreze des Heren’) van de vrome Jood brengt hem ertoe alles te zegenen vooraleer het gebruikt wordt. Dit steeds zegenen van voorwerpen en mensen en handelingen is weer een inoefening van het bewustzijn van de aanwezigheid van God in het alledaagse. Zo proberen de Joden steeds voor het aangezicht van God te staan, in diepe aandacht. Deze fysieke intensiteit maakt van de Joden ook een volk van het lichaam en niet alleen van het Boek. De aandacht verdicht zich weer op een andere wijze wanneer ze samenkomen om de Schriften te bestuderen, een scrupuleus respect opbrengend voor de geest en de letter van de Wet maar ook voor de interpretaties die zich gaandeweg hebben opgestapeld van die Wet.


In de latere joodse mystiek, ontstaan in Zuid-Frankrijk en Spanje, en die we de Kabbala heten, wordt deze joodse erfenis verdiept, eerst in de blije versie van de klassieke kabbala, en later, na de verdrijving van de Joden uit het Iberische schiereiland, in de tragische versie van de Luriaanse kabbala. Waar voor de klassieke kabbala de eigenschappen van God zich min of meer harmonisch manifesteren in de schepping en in de mens, wordt het in de Luriaanse kabbala een moeizaam gevecht om de sporen van het goddelijke licht terug te vinden en te bevrijden uit de macht van de duisternis. In beide gevallen staat wel de idee van harmonie centraal. De gelovige wordt geroepen de harmonie te zien en te bevorderen, ofwel de disharmonie gewaar te worden en dan te werken aan het herstel van de harmonie. 'Eenmaking', in zichzelf en in de werkelijkheid om hem heen, is de diepste betrachting van de vrome Jood.


In het chassidisme dat zich vooral in Oost-Europa verspreid vanaf de zeventiende eeuw gaat men deze aanwezigheid van God in de kosmos en de geschiedenis nauwlettend opsporen en verzamelen als vonken, door de mystieke praktijk van het aankleven. In al wat hij meemaakt en denkt en doet, wil de chassied heel dicht bij God blijven, zich éénmaken met hem. Door het onophoudelijke bidden, door het zingen en vertellen van verhalen wordt het dagelijkse leven geduid en geheiligd als een ontmoeting met God. Er is niets profaan meer, God is overal aanwezig. De joodse mystiek huldigt ook een sterk panentheïsme. Heel tekenend is het gebed van de rebbe Yitschak van Berditsjew dat Martin Buber opgenomen heeft in zijn Chassidische vertellingen:


Waarheen ik ook ga - Jij! Waar ik ook sta - Jij! Alleen maar Jij, en weer Jij en altijd Jij! Jij, Jij, Jij! Als het met mij goed gaat - Jij! Als het me pijn doet - Jij! Alleen maar Jij en nog eens Jij en altijd Jij! Jij, Jij, Jij! Hemel - Jij; aarde - Jij; boven - Jij; beneden - Jij; waarheen ik mij ook keer, aan ieder einde: alleen maar Jij en nog eens Jij en altijd Jij! Jij, Jij, Jij!


7. Aandacht in het christendom


Wanneer we aandacht zo ruim gaan opvatten als het verre Oosten maar ook de islam en het judaïsme ons leren, dan realiseren we ons dat ook in het christendom vele vormen van mindfulness aanwezig zijn. Eerst en vooral kunnen we het optreden van Jezus begrijpen als het wakker maken van het hart en dit zien als een vorm van christelijke mindfulness.


De 'onderscheiding der geesten' waar de ignatiaanse spiritualiteit zo sterk in is, is een vorm van mindfulness gericht op het waarnemen van de werking van God in het menselijke hart. Waar is de geest van het kwade in mij aan het werk, waar is de geest van God werkzaam? Ignatius nodigt ook uit om de in de hele schepping neerdalende liefde van God waar te nemen in zijn bekende 'contemplatie om de liefde te verkrijgen'. 'God in heel de schepping' is de titel van een boek dat de Vlaamse jezuïeten uitgaven en de kern van hun mystiek engagement vertolkt.


Mindfulness leeft ook heel sterk in de benedictijnse traditie, waar de bijbelse lectio divina heel levendig is gebleven. Het aandachtig zijn voor de Schrift en voor Gods aanwezigheid daarin, leidt bij uitbreiding tot de aandacht voor de nabijheid van God in het dagelijkse leven, in het omgaan met de natuur en in het scheppen van cultuur. Ook het besturen van een mensengemeenschap en het omgaan met financies en economie krijgt in de benedictijnse traditie een religieuze betekenis, voor wie waakzaam en aandachtig weet te leven. De aardse tijd en ruimte krijgen door de Regel van Benedictus een sacrale dimensie.

We kunnen ook aan de franciscaanse geest denken die het kosmische sterk revaloriseert. Het Zonnelied van Franciscus en zijn preken voor dieren zijn een erkenning dat de kosmos in zijn materialiteit en fysieke processen vol 'symbolen van Godservaring' steekt. In zon, maan en sterren, in water en vuur, in de aarde en het mysterie van de dood toont God zich en schenkt hij zijn werkzame nabijheid, voor wie aandachtig wil zijn.


In de karmelitaanse traditie (en nauw verwant daarmee Centering Prayer) toont zich dan weer een andere vorm van mindfulness. Ook hier speelt de zelfkennis een cruciale rol. Teresa van Avila en Jan van het Kruis reiken ons een kaart aan waarmee we de reikwijdte en progressieve diepten van de ziel leren kennen. Aan de hand van deze spirituele cartografie kunnen wij de innerlijkheid aan als een eindeloze beklimming, afdaling, reis naar de bron van Gods aanwezigheid in het allerdiepste centrum van de ziel. Het steeds aandachtig overwegen van de Christusfiguur leidt tot liefdevolle aandacht voor de aanwezige God, eerst tijdens het gebed en naar binnen gericht en vervolgens buiten het gebed om de kosmos gericht. ‘Gebed is het zich openen voor God’ (Thomas Keating)


'Dios es el centro del alma'. Jan van het Kruis ervaart God als een Aanwezigheid die van binnenuit uitstroomt en heel de ziel zou willen inpalmen en daarna haar wijde omgeving. Het Goddelijke is een uitstromende bron, een om zich heen grijpend vuur. Wie het in zich ervaren heeft kan het ook terugvinden in de werkelijkheid om zich heen, in de kosmos en in de heilsgeschiedenis. Daarom haast Jan van het Kruis zich om de religieuze mens te leren aan God en Jezus te denken en dit denken aan steeds dieper en zuiverder te laten worden, tot het uiteindelijk een aan-denken zonder gedachten, een oplettende blik, een zuivere aandacht wordt voor het Mysterie, stilte voorbij alle woorden en beelden. Het hele wezen geraakt hier gericht op de volheid van God, voorbij alle particuliere akten en voorstellingen.


Ook het hesychasme verdient vermelding als een stroming die de (innerlijke) woestijn opzoekt om daar de eigen demonen gewaar te worden en daarin de werking van de goddelijke genade. De aandacht zowel voor het donkere mysterie van de mens als het lichtende Mysterie van de Christus wordt in één enkele gebedszin of zelfs in één enkel woord, de naam Jezus opgeroepen en warm gehouden. Het Jezusgebed is de christelijke dhikr.


Het lijstje zou kunnen uitgebreid worden met spiritualiteiten die sterk de aandacht richten op de aanwezigheid van God in de medemens, bij voorkeur de arme (Vincent de Paul en de actieve congregaties, Mgr. Romero en de bevrijdingsspiritualiteit). In alle vormen van mystiek christendom zouden we verschillende aspecten en dimensies van mindfulness of aandacht op het spoor kunnen komen. Ook in het christendom komt de religieuze groei van de mens neer op het verwerven van een diepe en alomvattende aandacht, voor zichzelf, voor de naaste, voor de natuur en voor het Mysterie dat zich erin aandient.


8. Conclusies


Deze ruwe schets, met ongetwijfeld veel onnauwkeurigheden, en deze vogelvlucht over het landschap van mindfulness in de grote wereldreligies moge ons toelaten voorzichtig enkele conclusies te trekken.

Het is duidelijk dat mindfulness aanwezig is in de religies, in alle en op een centrale, fundamentele wijze. Aandacht vormt de diepste kern van de mystieke stromingen binnen de religies, ongeacht de verschillen in cultuur.


Maar elke religieuze cultuur zorgt dus toch voor een eigen inkleuring van de mindfulness, tenminste voor zover zij buiten de zuivere aandacht als ervaring zelf treedt en deze ervaring begint gestalte te geven in woorden, beelden en begrepen die eigen aan haar zijn. Zo krijgen we wel een geschakeerd zicht op de rijkdom en pluriformiteit van mindfulness.


Dit geeft mindfulness een sterk interreligieus potentieel: in ons denken onderscheiden we ons van elkaar, wat tot twist en strijd kan leiden, maar in deze zuivere aandacht voor de zuivere Aanwezigheid zijn we één en vinden we elkaar.


Eén constante lijkt wel overal terug te keren: aandacht is een vorm van betrokkenheid op het Mysterie dat de zintuigen en de ratio overstijgt. Mindfulness is niet nadenken en analyseren, maar gericht staan op, met het hele wezen, het is zuiver relatie zijn tot iets of iemand, het is aanwezig zijn bij, gewaar zijn van iets boven of onder alle denken of voelen uit. In de meeste tradities kan dit transnationale gericht zijn op het Mysterie dichterbij gebracht worden door het gebruik van een mantra of een enkelvoudig woord of klank.


Door deze bovenverstandelijke gerichtheid op het Mysterie, slaagt mindfulness erin tegelijk de transcendentie recht te doen, het Mysterie niet omlaag te halen in antropomorfismen, én de immanentie recht te doen, het Mysterie overal in ontdekkend en genietend. Begrippen en beelden beperken het Goddelijke, maar de zuivere openheid vindt het overal.


Aandacht is volgens de religies zelfs de diepste wezenskern van de mens: de aandacht woont in ons, wezenlijk, zij is het verblijf van God in ons, ja God zelf. Wij zijn openheid, ten diepste. Deze transcendente openheid diep in ons kan wel overdekt of ondergesneeuwd geraken, en daarom reiken de religies paden aan naar deze aandacht, pedagogieën van de openheid.


De diepte in ons zoekt de diepte van de werkelijkheid buiten ons, van de kosmos en van de mens. Het gewoonlijke manipulatieve analyseren wordt openheid op het mysterie, op het meer, op het dieper dat zich in de werkelijkheid aandient, en 'dat is wat alle mensen God noemen', om Thomas van Aquino na te spreken.


In de ervaring van de aandacht verschuift de perceptie van God of het Goddelijke van een 'heilig Object' naar een 'transcendente Subjectiviteit' (Merton): we kijken niet langer meer naar het Ultieme, maar het Ultieme kijkt door onze ogen naar de schepping.


De mindfulness die de religieuze mens leert ontwikkelen of blootleggen is multidimensioneel, is aandacht in vele richtingen. Gezien wij het meeste bij onszelf zijn, is de eerste, voor de hand liggende mindfulness het aandachtig kijken naar onszelf, naar wat er in ons omgaat, en de waarneming van steeds diepere gebieden in onszelf. Waarnemen is tegelijk ontdekken, transformeren, genezen en tot vervulling brengen. Plus est en vous, met het devies van de Brugse Gruuthuuse-familie.


Een dimensie impliciet of expliciet aanwezig in de praktijk van de mindfulness is het therapeutische. Door aandacht zichzelf en de innerlijke beleving te beschouwen treedt zowel onthechting als psychische integratie op. We komen tot zelfkennis en kunnen onze schaduwen op een positieve, constructieve manier integreren.


De aandacht voor de eigen innerlijkheid strekt zich spontaan uit naar de ander, de medemens. De religies leren ons ook in de ander het Mysterie te zoeken en te zien, dat bedolven ligt onder zijn kwetsuren of dwalingen. Alle religie leidt tot mededogen, tot het schouwen van het Ultieme in de andere mens, tot een diep begrip voor de onderlinge eenheid in het Mysterie. Er is niets zo caritatief als intermenselijke aandacht.


Achter de enkeling duikt de hele samenleving en haar geschiedenis op. Authentieke mindfulness leert ook dieper te kijken in processen die groepen en volkeren bepalen. De religies dagen ons uit tot een geëngageerde sociaal-politieke oplettendheid en wijsheid.


Naast de medemensen duiken de dingen en de natuur op in onze aandacht: we ervaren ons ingebed in de kosmos, ecologisch verantwoordelijk, in een aandachtige partnerschap met de aarde. Mindfulness geldt ook de voorwerpen waar we mee werken, de cultuur die we zelf medescheppend tot stand brengen, en de pracht en het geweld van de kosmos, haar fauna en flora. In deze voor de hand liggende voorwerpen zien we dieper, blikken we rechtstreeks in het Mysterie.


Aandacht floreert vooral in religieuze culturen die een non-dualistische werkelijkheidsvisie hebben. Waar het religieuze een afgebakende gans-andere is, buiten de kosmos en de mens, waar het een specifieke zijnde is, ook al is dat het allerhoogste zijnde, daar moet men zich toch altijd ergens wegrichten van deze werkelijkheid om een àndere waar te nemen. Dan moet men zich concentreren om iets specifieks in het vizier te krijgen.


Maar in elke religie vinden we een mystieke kern die non-dualistisch is en het Goddelijke ziet als de essentie en het diepste centrum van deze ondermaanse werkelijkheid. Voor hen is de godservaring geen àndere ervaring maar de diepte van de ervaring van déze wereld. Daarom is mystiek zeer humanistisch, maatschappijbetrokken en ecologisch.


Mindfulness kan een maatschappelijke integratieve functie hebben. In het samenleven laten de verschillen zich spontaan gevoelen en kunnen zij tot spanning en conflict leiden. Het leren alzijdig mindfull te worden, vermindert de interne spanningen en maakt ons empathisch en sociaal vaardig.


Het is tenslotte duidelijk dat aandacht een functie van de liefde is, de zuiver geworden liefde zelf is, die geen ander instrument meer nodig heeft. De aandacht als liefdevolle praxis van proberen niets anders meer te doen dan de ogen geopend te houden naar het duistere Mysterie wordt uiteindelijk passieve liefdevolle kennis die van niets meer bewust is dan van liefde (de inoefening mag dan achterwege blijven). God is liefde en niets anders; liefdevolle aandacht is de aanwezigheid van God. Aandacht voor Aanwezigheid, kortom pure aanwezigheid. Er is niets anders meer dan God.


ANNEX



Luister, o liefste! Ik ben de Werkelijkheid van de wereld, het centrum en de omtrek. Ik ben de delen ervan en het geheel. Ik ben de Wil, vastgesteld tussen hemel en aarde. Ik schiep de wa arneming in jou slechts om het object te zijn van Mijn waarneming. Als je dus Mij waarneemt, neem je jezelf waar, maar Mij kun je niet waarnemen door jezelf. Het is door Mijn oog dat je Mij ziet en jezelf ziet, het is niet door jouw oog dat je Mij kunt zien. Liefste, zovele malen heb Ik je geroepen, en je hebt Mij niet gehoord! Zovele malen heb Ik Mezelf aan jou getoond, en je hebt Mij niet gezien! Zovele malen heb Ik Mezelf gemaakt tot zoete uitwasemingen, en je hebt Mij niet geroken, smakelijke spijzen en je hebt Mij niet geproefd? Waarom kun je Mij niet bereiken doorheen de voorwerpen die je aanraakt? Of Mij inademen doorheen de zoete geuren? Waarom zie je Mij niet? Waarom hoor je Mij niet? Waarom? Waarom? Waarom? Mijn verrukkingen overtreffen voor jou alle andere verrukkingen, en het genieten dat Ik je schenk laat alle andere genietingen ver achter zich. Ik ben voor jou ver te verkiezen boven al wat goed is. Ik ben de Schoonheid, Ik ben de Genade, liefste, hou van Mij, hou van Mij alleen, hou van Mij met liefde. Niemand is je zo nabij als Ik ben. De anderen houden van jou omwille van henzelf: Ik, Ik hou van jou omwille van jou, en jij, jij vlucht zo ver van Mij… Liefste, je kunt Mij niet geven wat Ik jou geef, want als je nader komt tot Mij, is dat omdat Ik nader ben gekomen tot jou. Ik ben jou méér nabij dan jijzelf bij je bent, dan je ziel, dan je adem. Liefste, laten we naar de eenheid gaan… Laten we hand in hand gaan, binnengaan in de aanwezigheid van de Waarheid – dat zij ons oordeelt en haar zegel indrukt op Onze eenheid, voor altijd.

(Ibn Arabi)