Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel

In elke cultuur vinden we oerbeelden, dat zijn symbolen waarmee mensen hun leven organiseren. Zo hebben we de bron, het kruis, de oude wijze, het kind, en nog vele andere. In het christendom zijn historische personen zo’n oerbeelden geworden. Denken we aan Franciscus van Assisi of de Geliefde Leerling van het Johannesevangelie. Uiteraard is Jezus het beeld bij uitstek van hoe christenen zouden willen zijn.


De kluizenaars die op de berg Karmel samenwoonden rond de 12e eeuwwisseling kozen de profeet Elia en Maria als model, om hun leven gestalte mee te geven. Men sprak in de karmeltraditie ook wel van de ‘navolging van’ Maria, zelfs van de ‘nabootsing van’ Maria — maar dat is een ongelukkige uitdrukking, want iemand al te letterlijk nabootsen zou tot vervreemding leiden. In het spoor van Maria gaan echter, haar volgen in haar wijze van zijn, dat is een heel zinvolle keuze.


Wat heeft Maria ten diepste bezield, en hoe kunnen we dat in ons leven op onze eigen manier doen? De figuur van Maria in het Nieuwe Testament is zo zuiver en rijk, en zovele grote christenen hebben gaandeweg ons beeld van Maria verdiept. De eerste karmelieten en alle leden van de Karmel sindsdien hebben er dus zeer goed aan gedaan hun schreden naar en hun ogen op Maria te richten. De Vlaamse mystica Maria Petyt sprak van een ‘Mariavormig’ leven, een leven ‘door, met en in’ Maria.


Wat trok en trekt de Karmel in het bijzonder aan in de figuur van Maria? Het lijkt erop dat de Karmel vooral zoekt naar de contemplatieve houding van Maria. Een hogere overste van de Karmel zag in haar leven alle punten van het ideaal van de karmeliet weerspiegeld zoals dit uit de Karmelregel blijkt. Vooral de stilte, het diepe geloof, het biddend te Nazareth leven en werken trekt hen aan. Waar andere orden in de Middeleeuwen de gedachte van de onbevlekte ontvangenis van Maria — dat zij zondeloos zou zijn — niet echt zagen zitten, werden de karmelieten vurige voorstanders van deze gedachte. Maria is pure ontvankelijkheid, er is in haar geen weigering, geen geslotenheid voor wat zich aan haar voltrekt, zij is de Opene. Daarin ziet de Karmel het ultieme doel voor ogen.


Contemplatie, zoals de profeet Elia en zijn leerlingen, de eerste monniken op de berg Karmel, later Teresa van Avila en Johannes van het Kruis en nog velen het opvatten, is liefdevolle aandacht, ontvankelijkheid, beschikbaarheid voor het Ultieme. Het is open laten, niet afsluiten, want dan verliezen we iets, of veel. Contemplatie is het Leven zich laten openbaren zoals het is en niet zoals wij graag zouden hebben dat het is. Het is wachten, loslaten, aanwezig zijn. Het is zich laten verwijden door de Werkelijkheid, haar vrij laten. Is dat niet wat Maria deed, als we haar lezen in het Lucasevangelie? Zie die dienares van de Heer, mij geschiedde naar uw woord. Zie, hier ben ik — antwoordde Maria. Dat was dan een echo van wat God zo vaak zegt in het eerste Testament: Hier ben Ik! Hij biedt zich telkens en overal aan. Hij licht op in de natuur, hij spreekt in heilige teksten en in de stilte van het hart, hij komt in de geschiedenis en deelt zich mee via mensen. God is zichzelf wegschenkende liefde — hier ben Ik.


Dat heeft Maria gezien, gevoeld, begrepen, en tot de vorm van haar leven gemaakt. Op de grenzeloze aanwezigheid van het Ultieme antwoordde zij met haar grenzeloze aandacht, niets afwijzend, niets beperkend. Haar contemplatieve houding en haar contemplatieve ervaring bestond hierin dat zij God God liet zijn, volkomen onbegrijpelijk, volkomen nabij. De ultieme Werkelijkheid als licht zó helder dat het als duisternis aanvoelt, een liefdevol mysterie. Maria ziet haar in de schoonheid van een bruidspaar, in hun plotse verlegenheid en ernstige nood, in de pracht van haar zoon, in de duisternis van zijn vreemde antwoord. Ze is haar machteloos blijven zoeken in de nacht van Golgotha en het is mooi dat Ignatius van Loyola zegt dat zij het eerst ook de Verrezene heeft gezien. Maria is de kijkende en daarom ook de ziende.


Hoezeer heeft onze tijd dat nodig. Wij kijken niet echt meer, laat staan dat we zouden zien. We luisteren niet meer naar het Mysterie in alles, in elkaar, in onszelf, laat staan dat we het zouden horen. Onze wereld heeft zo’n ongelooflijke nood aan dat ‘derde oog’, het oog in ons hart, waarmee wij deze wereld een stukje dieper zien, voller zien, liefdevoller zien, zien als de plaats van een heerlijke openbaring. Onze wereld heeft zo’n nood aan liefdevolle aandacht, aan de openheid van Maria, aan contemplatie.


Dat zou de Karmel moeten zijn, de familie van christenen die Maria tot oerbeeld nemen, haar willen navolgen in haar liefdevolle beschikbaarheid, in haar capaciteit om zich steeds te laten verrassen, verwijden, om elke morgen weer nieuw te zijn voor God en voor de ander. Aandacht voor aanwezigheid. De Nederlandse karmeliet Titus Brandsma heeft het zo mooi de Spaanse Johannes van het Kruis nagezegd: wij zouden als het venster willen worden dat Maria was, waardoorheen wij in het al kunnen binnenkijken en het al in ons. Het is niet eens nodig moreel zo zuiver te zijn als Maria, als we maar haar liefdevolle openheid navolgen. Maria als een heldere ruit, of als de blauwe lucht die wij inademen. Dan kunnen de mensen om ons heen, onze tijdgenoten, de bonte kleurenrijkdom van God weer te zien krijgen, tot hun eigen vreugde en ontplooiing.