Karmel: geschiedenis
Oorspronkelijke Karmel
 
De orde van de karmelieten kent haar oorsprong op de berg Karmel bij de havenplaats Haifa in Israël. Deze berg, die verbonden is met de profeet Elia, is lange tijd een verblijfplaats voor talrijke kluizenaars die in navolging van hem een aan God toegewijd leven leidden. Naast een hoogtepunt in de vierde tot de zevende eeuw kent het kluizenaarsleven daar in de elfde en twaalfde eeuw een ware renaissance. In de twaalfde eeuw kwamen verscheidene pelgrims onder leiding van Berthold van Calabrië en Albertus van Jeruzalem samen 'nabij de bron van Elia' om als heremieten te leven. Tussen de kluizenaarscellen werd een kapel ter ere van Maria gebouwd. Vanaf dat moment noemen de heremieten zichzelf 'Broeders van de heilige Maria van de Berg Karmel'. Om 'juridische stabiliteit' te verwerven, richt de groep heremieten zich tot Albert Avogadro (1150-1214). Hij staat aan de basis van de officiële leefregel van de karmelieten. Armoede en handenarbeid zijn volgens deze leefregel het belangrijkst. Wat echter karakteristiek is voor de karmelieten, is het grote belang dat ze hechten aan het in stilte uitgevoerde gebed. In 1235 worden de karmelieten, onder het dreigende gevaar van de Saracenen, gedwongen de berg Karmel te verlaten. De meesten trekken naar delen van Europa.
De Regel van Albertus kan je hier vinden.
 
Ongeschoeide karmelieten
 
De veertiende eeuw is de Gouden Eeuw voor de orde van de karmelieten; zowel op intellectueel als op spiritueel vlak zijn er steeds ontwikkelingen. Er worden veel nieuwe kloosters gesticht en er wordt ook veel aandacht besteed aan de intellectuele vorming van de leden. Deze intellectuele bloei ligt echter, samen met het Westers Schisma (1378-1417) en de grote pestepidemie (1347-1354), ook aan de basis van het verval dat de Karmel op vele plaatsen meemaakt vanaf het einde van de veertiende eeuw. De hierbij ontstane misbruiken doen al spoedig verlangen naar hervorming. De meest effectieve hervorming komt tot stand onder Theresia van Ávila. De pijlers ervan zijn armoede, gebed en afzondering. In 1568 ontstaat het eerste klooster van de ongeschoeide karmelieten (Ordo Carmelitarum Discalceatorum, OCD). Vanaf dit ogenblik bestaat er dus een scheiding tussen de geschoeide en de ongeschoeide karmelieten.
 
Franse Revolutie en daarna
 
Op het einde van de achttiende en in het begin van de negentiende eeuw kennen de karmelieten een dieptepunt in hun geschiedenis, ditmaal veroorzaakt door externe factoren. Door de Franse Revolutie en de verspreiding van nieuwe ideeën door Napoleon werd aan de karmelieten een grote slag toegediend. Het resultaat van deze vervolgingsperiode is dramatisch geweest voor de karmelieten. Kloosters en kerken werden gesloten. Pas in het midden van de negentiende eeuw of later kwamen er nieuwe stichtingen. In Nederland en België verdwenen de geschoeide karmelieten praktisch volledig (uitgezonderd in Boxmeer), ook in enkele steden bleven de ongeschoeide karmelieten voortleven, zoals Brugge, Gent, Kortrijk en Leuven (de laatste twee kloosters ondertussen ook gesloten).
(Bron: Wikipedia)
Hier vind je het verhaal van de Karmel
zoals verteld in Elke morgen weer nieuw,
een publicatie van de Vlaamse Karmel uit 1982.
De Brugse Karmel
De oude stam van de Orde, ontstaan in het heilig land op de Berg Karmel, kreeg reeds in 1265 in Brugge in de 'Carmersstraat' frisse twijgen. Toen de Orde naar Europa kwam, waren ze genoodzaakt geweest een bedelorde te worden. Zij werden zich in het Westen bewust van hun roeping die tegelijk contemplatief-eremitisch is én profetisch. Het kerkelijk verval echter van de 15e eeuw tastte ook de Karmelorde aan. Maar de Geest werd vaardig over de Spaanse mystici Teresia van Avila (1515-1582) en Johannes van het Kruis (1542-1591). Ze hebben de Karmel deugddoend hervormd. Opnieuw werd het accent gelegd op het contemplatieve ideaal.
Toen in 1626 de eerste karmelietessen te Brugge hun nieuw klooster betrokken, hing de stichting van de ongeschoeide karmelieten reeds in de lucht. Teresia van Avila had trouwens de mannelijke vleugel in haar hervorming gewild voor de geestelijke begeleiding van haar zusters. Na toestemming van het stadsbestuur en de bisschop betrokken dus enkele paters het 'Huys genaemt Boomswalle' (aan de huidige H. Magdalenakerk gelegen) in 1630. Maar dat was de knuppel in het hoenderhok. Het verarmde Brugge uit die dagen, de verschillende andere bedelorden konden zo een nieuwe orde best missen. Het verdienstelijk optreden tijdens de pestepidemie zal de paters de volkgunst bezorgen.
 
Een stille aanwezigheid in de stad
In 1633 namen de bruingepijde paters hun intrek in het 'Hof van Uytkerke' in de Ezelstraat. In het geheel van het huidige Karmelklooster zitten de toenmalige gebouwen ingeschikt. Op straat kun je nog de trappengevels duidelijk zien. Ook de dag van vandaag woont hier nog steeds een gemeenschap karmelieten. Zij willen door hun manier van leven, de talrijke initiatieven die doorgaan in het klooster gestalte geven aan die profetische roeping. Zij willen profeten zijn van het evangelie!
Momenteel is de gemeenschap zeven karmelieten rijk:
P. Martin Faingnaert, prior
Br. Jozef Plochaet
P. Hugo De Waey
P. Reimond Hoornaert
P. Carlos Noyen
P. Johannes Schiettecatte
P. Isidore Soreng
Karmel: woordenlijst
aandacht ● actie ● broeder ● charisma ● contemplatie ● dialoog ● eenheid ● eenzaamheid ● Elia ● Elisabeth van de Drie-eenheid ● figuren ● gebed ● geloof ● 'God' ● hechten/onthechten ● hervorming ● inkeer ● interreligie ● Jezus ● Johannes van het Kruis ● Karmel ● karmelieten/karmelietessen ● kosmos  ● Laurent, Fr. ● liefde ● liturgie ●Maria ● meditatie ● mislukking ● Mysterie ● mystiek ● non-dualiteit ● omvorming ● ontwaken ● overgave ● pater ● politiek ● potior pars ● Regel ● religie ● rust ● scapulier ● sensualiteit ● spiritualiteit ● Stein, Edith ● stilte ● Teresa van Jezus (Avila) ● Thérèse van Lisieux ● Ultieme ●vereniging ● verlossing ●vrede ● vriendschap ●weg ● woestijn
 
In de Blog vind je deze woordenlijst terug, iets uitgebreider...
 
AANDACHT.
Zonder aandacht voor elkaar worden onze relaties harteloos en levenloos. Zonder aandacht wordt geen handwerk of intellectueel werk goed gedaan. Zonder aandacht genieten we niet echt van iets. Het Westen heeft de boeddhistische mindfulness ontdekt en wat hierin schuilt aan potentieel om tot aandacht voor onszelf en onze omgeving te komen, aan therapeutisch potentieel ook. Ook in de Karmel* staat aandacht centraal: de mysticus* Johannes van het Kruis* ziet 'liefdevolle aandacht' als het hoogste wat men aan eenheid* met 'God'* en omvorming* in 'God' kan bereiken. Spiritualiteit* en mystiek*: dat is met 'God' de wereld aandachtig liefhebben.
ACTIE. 
Actie en contemplatie* zijn complementair: inzet en inkeer*, werk en gebed*, politiek en mystiek*. Actie is alle vorm van engagement en werk in kerk, religie* en samenleving. In de kerk wordt actie soms wel pastoraat (herderlijk werk) ofwel apostolaat (zendingswerk) genoemd. Het 'apostolaat' van de Karmel is het apostolaat van de spiritualiteit, van de mystiek, van het gebed...
BROEDER/PATER.
Een karmeliet* kan broeder en/of pater zijn. Een broeder is een kloosterling (karmeliet) die verkoos om zich niet tot priester te laten wijden. Een pater is een broeder die zich tot priester liet wijden. 'Pater' is 'vader' in het Latijn.
CENTRUM.
In de mystiek van de wereldreligies wordt de groeiende toenadering tot het Ultieme* gezien als een verinnerlijking*. In de Karmel spreken Teresa* van Jezus en Johannes* van het Kruis heel vaak van dit diepste innerlijke centrum, waar de Kasteelheer de mens opwacht die vanuit de meer naar buiten toe gelegen verblijven tot hem nadert (Teresa's* Innerlijke burcht), of waar het vuur van de goddelijke Liefde* brandt en steeds verder de persoonlijkheid van de mens probeert in te palmen (Johannes*' Levende Vlam van Liefde).
CHARISMA.
Groeperingen kunnen net als individuen een bepaald charisma hebben, d.w.z. een talent, gave, opdracht die hen in het bijzonder verleend is, met het oog op een speciaal dienstwerk in de wereld of in een religie*. Het charisma van de Karmel* is dat van de mystiek* en de inwijding tot mystiek (technisch 'mystagogie' geheten).
CONTEMPLATIE. 
Complement van actie*. Contemplatie wordt vaak als synoniem gezien met mystiek*: contemplatief gebed* als mystiek gebed. Contemplatie is het bidden van het hart, in stilte*, na het bidden van het verstand, met woorden en begrippen. De overgang van meer meditatief gebed naar contemplatie is natuurlijk geleidelijk en vloeiend, niet abrupt.
DIALOOG.
Dialoog met elkaar laat religies* zich ontwikkelen en verfijnen, door het bijkomstige van het wezenlijke te leren onderscheiden. De teresiaanse Hervorming* ontstond in een context van vruchtbare interreligieuze dialoog tussen joden, moslims en christenen. Haar mystieke* traditie heeft vele thema's gemeen met de mystiek van het jodendom en de islam, maar ook in het verre Oosten zijn Teresa* van Jezus en Johannes* van het Kruis gewaardeerde gesprekspartners.
DIEPTE.
Vroeger zag men 'God' in den hoge: de hel onder de aarde, de hemel boven de aarde, met 'God' in die hemel. Vandaag is het moeilijk 'God' nog ergens in den hoge te weten. De religieuze* dimensie is de dieptedimensie van de werkelijkheid, die niet achter of voorbij het alledaagse ligt, maar in de diepte ervan. 'God' of het Goddelijke is de Diepte van déze werkelijkheid zelf.
EENHEID. 
We verlangen naar eenheid: innerlijke eenheid, onderlinge eenheid, eenheid met het Ultieme*. Het religieuze* streven naar eenheid met het Ultieme wordt mystiek* als er een grotere passiviteit en onmiddellijkheid optreedt.
EENZAAMHEID. 
Eenzaamheid is een zware menselijke beproeving en een gesel van deze tijd. In de religieuze tradities hanteert men echter een ander begrip van eenzaamheid, als het alleen-zijn met het Ultieme*. Thomas Merton wijst erop dat religieuze specialisten van deze 'positieve eenzaamheid' (de uitdrukking is van Henri Nouwen) geroepen zijn om in het alleen-zijn de afgronden van de 'negatieve eenzaamheid' (H. Nouwen) te peilen en er de lichtende aanwezigheid van het Mysterie op te delven, zodat zij aan hun lijdende tijdgenoten in de samenleving een uitweg kunnen wijzen. Ook in de Karmel speelt eenzaamheid een dergelijke rol.
ELIA.
Bijbels profeet die in de Bijbel in de boeken 'Koningen' optreedt (1 Kon. 17-2 Kon. 2). De eerste karmelieten* gingen wonen op de plaats waar Elia zou hebben geleefd, zich duidelijk aan hem inspirerend. Vooral zijn verblijf in het dal van de Kerith, een kleine bergstroom, trof hen, en ook zijn bezield optreden. Hij was mystiek* én politiek*.
ELISABETH VAN DE DRIE-EENHEID (Elisabeth CATEZ). 
Franse karmelietes, geboren in 1880 te Farges-en-Septaine en gestorven in 1906 te Dijon. Zij trad op jonge leeftijd in de Karmel* in en schreef talrijke brieven en enkele traktaatjes aan vrienden en familieleden waarin zij zich als een authentieke erfgename van Teresa* van Jezus en Johannes* van het Kruis toont. Zij overleed aan de toen nog ongeneeslijke ziekte van Addison; haar geschriften werden in de 20e eeuw vrij populair, vooral haar gebed tot 'God' als Drie-eenheid.
FIGUREN UIT DE KARMEL.
Naast de twee Spaanse mystici Teresa van Jezus en Johannes van het Kruis, de twee Franse heiligen Thérèse van Lisieux en Elisabeth van de H. Drie-eenheid en de Duitse Edith Stein, zijn er nog tal van andere figuren in de traditie van de Karmel die een diepe indruk hebben gemaakt en het charisma en de spiritualiteit van de Karmel hebben beïnvloed. (Zie de Franse Wikipedia-pagina 'Liste des saints du Carmel'.)
  • Jean de Saint-Samson, Hervorming* van Rennes, 1571-1636, blinde broeder en groot mysticus.
  • Titus Brandsma, Nederlandse geschoeide Karmel*, 1881-1942, journalist, professor, universiteitsrector, vergast in Dachau.
  • Michael van de H. Augustinus, Hervorming van Rennes, 1622-1684, Vlaamse mysticus en schrijver.
  • Rafael Kalinowski, Pools ongeschoeide karmeliet*, 1835-1907, militair, gedeporteerd, hervormer van de Poolse Karmel
  • Jeronimo Graciàn, Spaanse ongeschoeide karmeliet en vriend van Teresa van Jezus, 1545-1614, overste van de Hervorming.
  • Anna van de H. Bartolomeüs, Spaanse ongeschoeide karmelietes en vriendin van Teresa van Jezus, 1549-1626, stichtte de Antwerpse karmel.
  • Maria van de H. Teresia (Petyt), Hervorming van Rennes, 1623-1677, Vlaamse mystica.
  • Anne de Jésus, Spaanse ongeschoeide karmelietes en medewerkster van Teresa van Jezus, 1545-1621, stichtte de Brusselse karmel.
  • Simon Stock, generale overste van de Geschoeide Karmel, 1164-1265.
  • Johannes Soreth, generale overste van de Geschoeide Karmel, 1395-1471, liet vrouwen en leken toe tot de Karmelorde.
  • Maria-Maddalena de' Pazzi, Italiaanse geschoeide karmelietes, 1566-1607.
  • Marie de l'Incarnation (Acarie), Franse ongeschoeide karmelietes, 1566-1618.
  • Teresia-Marguarita van het H. Hart van Jezus, Italiaanse ongeschoeide karmelietes, 1747-1770.
  • de karmelietessen van Compiègne, gemeenschap van Franse ongeschoeide karmelietessen, samen geguillotineerd tijdens de Franse Revolutie op 17 juli 1794.
GEBED.
Dialoog* van de persoonlijke mens met het persoonlijk voorgestelde Ultieme*. Door dit aanspreken van 'God'* treedt de mens uit zichzelf, zoekt hij/zij vereniging* met het Ultieme en tenslotte de algehele omvorming* daarin. In de Bijbel* is het menselijke spreken in feite antwoord op het voorafgaande spreken van 'God', en dus ten diepste een luisteren naar de ander. De dialoog met 'God' loopt voor christenen langs Jezus*. Deze uitwisseling wordt in de Karmel* graag voorgesteld als een zaak van vriendschap* en (a.h.w. huwelijks)liefde*, en als een onophoudelijk groeiproces met herkenbare momenten. 
GELOOF.
Het Latijnse 'credo' komt van 'cor-dare', je hart aan iets geven. Mensen hebben een onuitroeibare 'behoefte om te geloven' (J. Kristeva). Men kan geloven in geld, macht, voetbal, sterrendom, een politieke doctrine, een religieuze openbaring. In de Karmel* gelooft men in de 'God' van liefde* door zich aan hem/haar/het uit te leveren.
'GOD'. 
Naam die mensen geven aan het Ultieme*, het Mysterie*, het Goddelijke in bijna alle religies. Vele mystici maken een onderscheid tussen de persoonlijk opgevatte 'God' en de onkenbare godheid die daar achter schuilt. Het is dus juister te zeggen dat men 'God' kan ervaren als ware Die een persoon. In de joodse mystiek* wordt daarom vaak 'G-d' of 'G*d' gebruikt. Tegelijk werd dit Mysterie voor ons oneindig concreet in Jezus* van Nazareth.
HECHTEN en ONTHECHTEN.
Onthechting is een prominent thema in de spiritualiteit* van de Karmel* zoals in alle spiritualiteit. Vandaag wijst men erop dat men zich pas authentiek kan ont-hechten als men eerste geleerd heeft zich authentiek te hechten (aan mensen en zaken). Het ont-hechten is enkel bedoeld als uitzuivering van het zich hechten. Het humanisme van Teresa* van Jezus, sterker dan de soms traditioneel-ascetische termen die ze gebruikt, behoedt haar voor een verkeerde benadering van onthechting. Het is gemakkelijker Johannes* van het Kruis te aanzien voor een harde en dorre asceet, maar ook dit is een grove misvatting. 
HERVORMING.
De Karmel* ontstond ronde de twaalfde eeuwwisseling op de berg Karmel nabij Haïfa en kwam gauw naar West-Europa, waar na een snelle verspreiding tijden van beproeving en verslapping aanbraken. Op deze crisis trachtten meerdere hervormingsbewegingen een antwoord te bieden. De bekendste daarvan ontstond in de Spaanse Gouden Eeuw, onder het impuls van Teresa* van Jezus en Johannes* van het Kruis: de 'teresiaanse Hervorming'. Men spreekt ook van de 'Ongeschoeide karmeliete(esse)n'*, omdat de allereerste leden van deze hervorming een tijdlang geen schoeisel droegen.
INKEER.
Het ontstaan van de teresiaanse Hervorming* kadert in een spirituele beweging van mensen die naar diepe 'inkeer' zochten. Voor Teresa* van Jezus, die niet goed kon mediteren* volgende de gangbare actieve methodes van toen, was gebed* vooral een zaak van alleen zijn met 'God'* (met Jezus*) en zich in de stilte* van het eigen hart met 'Hem' onderhouden. Het religieuze leven dat zij vernieuwd gestalte probeerde te geven was gericht op dit naar-binnen-gaan, dit 'gebed van inkeer'.
INTERRELIGIE.
In de huidige wereld is het elkaar doordringen van culturen en religies* niet meer weg te denken. De Karmel* is ontstaan op Joodse bodem, toen de moslims al dreigend in de buurt waren. De teresiaanse Hervorming* is nog veel dieper beïnvloed door (of in elk geval con-cor-dant met) de joodse en islamitische mystiek*, die bijzonder levendig was in het Spanje van vóór de beide hervormers.
JEZUS.
De Karmel* is een christelijke beweging die zijn verre oorsprong vindt in de beweging rond Jezus en in Jezus zélf. Elke christelijke spirituele* en mystieke* stroming kan met recht en reden teruggrijpen naar Jezus, dus ook de Karmel. Jezus dus als eerste 'karmeliet'*, die 's nachts bad en overdag actief* was, in de afzondering op de berg contemplatief* was en temidden van de menigte zijn contemplatieve godservaring probeerde door te geven.Leven in de Karmel is navolging van Jezus, van de biddende Jezus en de Jezus die leerde bidden.
JOHANNES VAN HET KRUIS (of JAN VAN HET KRUIS). 
Spaans mysticus in 1542 geboren te Fontiveros en gestorven in 1591 te Ubeda. Hij werd door Teresa* van Jezus (van Avila) uitgenodigd om de geest van haar hervorming* ook bij de mannelijke karmelieten* in te voeren. Hij schreef religieuze gedichten die tot de hoogtepunten van de Spaanse lyriek behoren, en proza-commentaren daarop die al tijdens zijn leven en tot op vandaag bijzonder gewaardeerd worden, tot buiten het christendom. Hij werd door de kerk benoemd tot doctor mysticus, leraar van de mystiek.
  • In het 'Geestelijk Hooglied' ziet hij de weg van de mens als een progressieve vereniging* en (of door) omvorming* met goddelijke liefde*.
  • In 'Donkere Nacht' staat de metafoor van de duisternis centraal: de goddelijke liefde is dermate licht dat zij als duisternis overkomt voor de menselijke grijpende ikzucht, maar naarmate het ik die duisternis aanvaardt ('dorre contemplatie'*) gaat de duisternis in licht over ('zoete contemplatie'*).
  • De 'Levende Vlam van Liefde' geeft een parallel beeld: de goddelijke liefde is een vuur dat ons van binnenuit verteert en omvormt.
KARMEL. 
De Karmel is een van de grote religieuze Orden van de Kerk. Ontstaan op de berg Karmel nabij Haïfa rond de twaalfde eeuwwisseling, gaat zij terug op enkele kluizenaars die samen het leven van de profeet Elia* en dat van Maria* probeerden na te volgen, door de eenzaamheid* te verzoenen met inzet in de nabije omgeving. Eenzaamheid en gemeenschap, contemplatie* en actie* waren de twee grote assen van hun bestaan. Bij hun gedwongen verhuizing naar West-Europa moesten zij de fysieke eenzaamheid opgeven en verinnerlijken: zij gingen wonen in kloosters in steden en nog meer aan pastoraat doen in de Kerk. Perioden van verzwakking werden opgevolgd door hervormingspogingen, waarvan de teresiaanse Karmel de bekendste is. 
KARMELIETEN/KARMELIETESSEN. 
Oorspronkelijk bestonden alleen broeders-karmelieten. De heilige Johannes Soreth was de generale overste van de karmelieten in de vijftiende eeuw die leken opnam in de Orde (de 'lekenorde', nu 'seculiere Karmel' geheten) en ook vrouwen, doordat hij in de Lage Landen begijnengemeenschappen aanvaardde als karmelkloosters. 
KOSMOS.
Het christendom is vooral op de geschiedenis als heilsgeschiedenis gericht, en in de Karmel* gaat de beweging vooral naar binnen, naar de diepten* van het eigen hart. Daardoor is de aandacht voor de kosmos in christendom en Karmel soms ondermaats gebleven, met niet onbelangrijke gevolgen. En toch waren de grote mystici* van de Karmel ook grote minnaars en minnaressen van de pracht en de diepte van de kosmos.
LAURENT, FRÈRE.
Laurent de la Résurrection werd geboren in 1614 te Hériménil en stierf te Parijs in 1691. Hij tradt bij de Karmel* van de teresiaanse Hervorming* ('Ongeschoeiden') in en leefde daar in de aanwezigheid van 'God' in alle eenvoud, temidden van zijn keuken-, schoenmakers- en ander werk. Gesprekken met hem werden opgetekend en brieven bewaard, verzameld in een boek dat wereldwijd groot succes kende. 
LIEFDE.
Natuurlijk het hart van de mens, van religie(s)* en van 'God'*. Ook de mystiek* van de Karmel* is een liefdemystiek, waarvan alle tonaliteiten aan bod komen: vriendschap (Teresa* van Jezus), huwelijksliefde (Johannes* van het Kruis), kinderliefde (Thérèse* van Lisieux), enz. Bidden* is liefhebben en niet denken, zegt Teresa. Bidden is vereniging* met en omvorming* in liefde, zegt Johannes. Alle figuren van de Karmel spreken de Bijbel na dat 'God'* wezenlijk liefde is. Heel cruciaal voor christenen is het gelaat van Jezus* om deze liefde te zien.
LITURGIE.
Naast het persoonlijke gebed* bidt men in de Karmel* ook het liturgische gebed. Liturgie is het gemeenschappelijke gebed van de Kerk, waarin dankzij liederen, psalmen, lezingen en gebeden de heilsgeschiedenis van het Joodse volk en het leven van Jezus* en de eerste kerk wordt herdacht, opdat men het zou overwegen en er zich door laten omvormen*. Het stuk ochtendliturgie heet 'lauden', het avondgebed heet 'vespers', en het nachtgebed heet 'completen'. Hoogtepunt en bron van de liturgie is het beleven van de eucharistie, deelname aan het paasmaal van de gemartelde en levende Jezus van Nazareth.
MARIA (MOEDER VAN JEZUS).
De eerste karmelieten* op de berg Karmel* woonden rondom een kapel aan Maria toegewijd. Maria is in de Karmel het oerbeeld van openheid voor 'God'* en liefde voor 'God'. In de stilte* van Nazareth was zij 'contemplatief'*, met Jezus* meetrekkend doorheen Galilea was zij 'actief'*. Zij vertegenwoordigt ook het vrouwelijke-moederlijke van 'God' voor vele christenen (en moslims!).
MEDITATIE.
Het actuele, interreligieuze 'meditatie' heeft een andere betekenis dan het vroegere, christelijke 'meditatie'. In de traditionele gebedsscholen van het christendom was meditatie een nadenkend en navoelend stilstaan bij een thema of een tekst, bij voorkeur uit de Bijbel. Die meditatie kon dan overgaan tot gebed* of dialoog* met 'God'* en deze dialoog kon zelf weer mystiek* gebed of contemplatie* worden. Het actuele 'meditatie' is meer bepaald door de Oosterse religies en betekent het diepere bidden.
MYSTERIE.
Religies* en mystieke* tradities zoals de Karmel* mogen niet te vlug weten - over 'God'*, over de wereld, over de mens. Dat kunnen ze niet eens. De reis naar binnen leert de mens ongekende en vreemde gebieden in zichzelf exploreren, en het eindeloze wonder van de kosmos* beter waarnemen, en ook het mysterie* van 'God' echt als een mysterie waarderen.
MYSTIEK.
Totaalmenselijke beleving van de werkelijkheid en van het Ultieme* die beantwoordt aan enkele karakteristieken: 'passief', d.w.z. men mààkt haar niet maar ondergaat of ontvangt haar; 'onmiddellijk', d.w.z. er zijn geen bemiddelende instanties meer tussen de mens en het Ultieme maar het is een contact zonder middel: 'unitief', d.w.z. het is een beleving die de mens één* maakt in zichzelf, met de wereld en met het Ultieme.
NON-DUALITEIT.
Platonisme, Aristotelisch denken, Romeinse invloeden, gnostische invloeden, cartesiaanse denken: dit en nog veel meer heeft het Westen behoorlijk dualistisch gemaakt: sterk onderscheid en oppositie tussen geest en materie, kosmos* en 'God', seculier en sacraal enz. Het Oosters denken is veel minder dualistisch. Het Johannesevangelie toont ons een in non-dualiteit ondergedompelde Jezus*.
OMVORMING.
In de spiritualiteit* en mystiek* van de Karmel* staat de omvorming centraal. Het spirituele proces is een progressieve transformatie van de mens in 'God'* — een vergoddelijking. Bij Teresa* van Jezus komt dit het sterkst tot uitdrukking in de basismetafoor van de zijderups die zich verpopt en uiteindelijk een vlinder wordt (in de Innerlijke burcht); bij Johannes* van het Kruis in tal van metaforen, misschien vooral in de nacht die lichtend wordt en het houtblok dat helemaal vuur wordt. Uiteraard is in de Karmel omvorming in 'God' omvorming in Jezus*.
ONTWAKEN.
In de joods-christelijke traditie wordt de omvorming* van de mens in 'God'* gezien als een verlossing*: de goddelijke Ander bevrijdt de mens. In de Oosterse religies* wordt dit proces meer gezien als een 'ontwaken', in het Sanskriet 'bodhi', waarvan het woord 'Boeddha' komt. Het wezenlijke moet geschonken worden, voorbij alle inspanning — maar niet zonder de inspanningen en hun beproevende failliet. De Canadese zanger Leonard Cohen heeft zelfs een uitdrukkelijke mystiek van de gebrokenheid*. 
OVERGAVE.
Overgave speelt een even belangrijke rol in de Karmel als inkeer*. Is het omvormingsgebeuren een kwestie van progressieve verinnerlijking, dan speelt de overgave een cruciale rol daarbij. De beslissende overgang van methodisch naar dieper, mystiek* gebed* is een zaak van (volledige) overgave, meent Teresa* van Jezus. Ook bij Thérèse* van Lisieux en Edith Stein* speelt de liefdevolle overgave een essentiële rol.
PATER (zie BROEDER). Het is eenvoudig: een pater is een broeder die ook priester is.
POLITIEK.
Het woord 'politiek' komt van het Grieks en betekent zorg voor de stad/staat. Er is dus niets vies aan politiek, integendeel. Het doel van religie* en van mystiek* is de omvorming* van de mens in 'God'*, zodat de mens zo goed en zorgzaam wordt als 'God' zelf voor zijn medemens. Politiek — ook partijpolitiek — ligt dus in het verlengde van mystiek. Mystiek zonder politiek blijft onvruchtbaar, maar politiek heeft wel nood aan mystiek om haar te bezielen en steeds opnieuw uit te zuiveren. 
POTIOR PARS.
Dit is een Latijnse uitdrukking die in de traditie van de Karmel* voorkomt om erop te wijzen dat het contemplatieve* deel doorweegt op het actieve* deel van het charisma*. Contemplatie is een belangrijker, groter deel van de erfenis van de profeet Elia* en de mystici* van de Karmel, omdat het de grondslag is van het andere, tweede deel: de inzet.
REGEL (VAN ALBERTUS).
De eerste karmelieten* op de berg Karmel* vroegen aan de plaatselijke patriarch een bindende tekst die hun levensprogramma weerspiegelde. Albertus van Jeruzalem schreef een uiterst korte 'Regel' waarin de stilte* en de eenzaamheid* een prominent rol spelen. Ook de drie 'goddelijke deugden' van geloof, hoop en liefde spelen een belangrijke rol (zij zijn het harnas dat de karmeliet moet aantrekken).
RELIGIE.
Het woord 'religie' wordt meestal etymologisch geduid als 'verbondenheid' (van het Latijnse werkwoord religare), maar deze etymologie is onzeker. Niettemin is religie inderdaad alzijdige verbondenheid: van mensen met elkaar en met het Ultieme* dat hen overstijgt/bewoont.
RUST.
Innerlijke vrede* is een aspect van de alzijdige vrede waarnaar de mens en de mysticus* streeft. De spirituele* reis is een verdieping van de beleving van innerlijke vrede, tot zij de mens zo heeft ingepalmd dat hij haar kan uitdragen om zich heen. Teresa van Jezus* beschrijft een eerste vorm van mystiek gebed als het 'gebed* van rust' omdat hier een iets grotere passiviteit optreedt. 
SCAPULIER.
Lang bruin stuk stof dat de karmeliet(es)* over zich heen draagt en in de volksvroomheid als een kleine medaille rond de hals gedragen wordt; het stelt de bescherming van Maria* voor, de zachte vrouwelijk-moederlijke kracht van 'God'*.
SCHRIFT (HEILIGE).
Alle religies* zijn openbaringsreligies: het Ultieme* spreekt mensen aan, die hun godservaring in teksten, in 'heilige Schriften' neerleggen. Christenen en leden van de Karmel* wenden zich tot de Bijbel als hùn Heilige Schrift. Het Eerste Testament en het Nieuwe Testament zijn samen met 'het boek van de natuur' en het boek dat medemensen zijn en dat de geschiedenis ook is, de vindplaatsen van 'God' voor hen, en bron van hun persoonlijke bidden*.
SENSUALITEIT.
In het verleden was sensualiteit in de wereld van spiritualiteit* en mystiek* uit den boze; vandaag is het één van de meest nagestreefde goederen. Spiritualiteit is niet vijandig ten aanzien van sensualiteit, maar er de religieuze verdieping van. Ook de mystiek* van de Karmel* is exploratie van de onvermoedde diepten* van de omringende dingen en van de onze ervaring ervan in 'liefdevolle aandacht'*.
SPIRITUALITEIT.
Het woord ruikt naar dualisme — het geestelijke beter dan het materiële — maar in feite is niet een immaterieel leven bedoeld, maar het leven in en naar de (heilige) Geest. Elke groepering in het christendom of in welke religie* ook, ontwikkelt spontaan een eigen vormgeving van dat algemene streven: de spiritualiteit van de Karmel*, de ignatiaanse spiritualiteit, de spiritualiteit van de arbeid, feministische spiritualiteit enz.
STEIN, EDITH. 
Duits-Joodse filosofe, geboren te Breslau in 1891 en gestorven te Auschwitz in 1942, leerlinge van Edmund Husserl, die gaandeweg opzijgeschoven werd als niet-Arische en uiteindelijk intrad in de karmel van Köln, tot zij rare ook moest uitwijken naar Echt, waar zij uiteindelijk toch werd opgepakt. Zij werd getransporteerd en vergast in het KZ. Voor haar intrede schreef zij meerdere filosofische en pedagogische werken en ook na haar intrede kon zij daarmee doorgaan. Haar laatste werk is een inleiding tot de leer en de geschriften van Johannes* van het Kruis. Omwille van haar getuigenis en geschriften werd zij uitgeroepen tot één van de co-patronessen van Europa.
STILTE.
Stilte vormt samen met eenzaamheid één van de pijlers van de karmelspiritualiteit* van sedert de Regel* van Albertus. Stilte is een omvattend werkelijkheid, houding en handelen, die een lange en langzame ontwikkeling kent. Meditatie* is de weg van woord naar stilte: de veelheid van begrippen en beelden en ervaringen maakt plaats voor de enkelvoudigheid van één woord of beeld; de concentratie op één enkelvoudige realiteit leidt uiteindelijk tot de stille (woordeloze, gedachteloze) aanwezigheid bij/in het Ultieme. Uiteindelijk gaat de stilte zo diep dat men haar kan bewaren in het rumoer en de drukte.
TERESA VAN JEZUS (of VAN AVILA).
Spaanse mystica, geboren in 1515 te Avila en gestorven in 1582 te Alba de Tormes. Zij trad als jonge vrouw in bij de Spaanse karmelietessen*, waar zij een vurig maar onopvallend leven leidde, terwijl zij meermaals ernstig ziek was. In 1562 stichtte zij een nieuw klein klooster te Avila, begin van een lange reeks kloosterstichtingen, waarmee de zgn. 'teresiaanse Hervorming'* van de Spaanse karmelietessen* begon. Met de hulp van Johannes van het Kruis* bracht zij ook een hervorming van de Spaanse karmelieten teweeg.
Voor haar eigen medezusters schreef zij enkele werken waarin zij het pad van het gebed* en de mystieke* vereniging* met de goddelijke liefde* uitzet:
  • 'Leven' (autobiografie met een beschrijving van ervaringen van gebed*, o.m. met de metafoor van vier wijzen van irrigatie),
  • 'Weg van Volmaaktheid' (spiritueel commentaar op het Onzevader, met de vaak terugkerende metaforen van de bron en de weg),
  • 'Kloosterstichtingen',
  • 'Innerlijke burcht', haar rijpste werk (het menselijke hart voorgesteld als een concentrische verdieping* van 'wal' tot 'wal' tot men in de binnenste kring het 'vertrek van de kasteelheer' binnentreedt: de totale omvorming* in goddelijke liefde* en in Jezus die Teresa als een 'geestelijk huwelijk'* duidt.
In 1970 werd zij tot 'lerares van de Kerk' uitgeroepen.
THERESE VAN LISIEUX. 
Franse karmelietes, geboren te Alençon in 1873 en gestorven te Lisieux in 1897. Na een kindertijd en jeugd vol traumatische scheidingen trad zij op 15-jarige leeftijd in de karmel van Lisieux in. Diepgekwetst zocht ze in het religieuze leven eerst compensatie, tot dramatische gebeurtenissen haar liefde voor Jezus* zo op de proef stelden dat ze moest kiezen — en koos. Haar narcistische persoonlijkheidsstoornis werd van binnen uit opengebroken of geheeld tot zelfgave, een proces dat in haar brieven en andere geschriften tot uiting komt. Ze stierf zeer jong aan tuberculose, maar de (vaak verkeerd begrepen) verering van haar omgeving leidden ertoe dat haar geschriften en figuur alom bekend geraakten en talloos veel christenen (soms verkeerd) inspireerden.
ULTIEME.
Dat wat ons 'ultiem aangaat' (Paul Tillich). Het Ultieme is het gemeenschappelijke in de interlevensbeschouwelijke dialoog* tussen mensen. Dit Ultieme kan persoonlijk, onpersoonlijk of transpersoonlijk opgevat worden. men kan het zien als Dat wat alles overstijgt ('transcendentie'), en/of als dat wat alles bezielt ('immanentie'). Op christelijke bodem is dit Ultieme vlees en bloed geworden in Jezus* van Nazareth.
VERENIGING (zie EENHEID).
VERLOSSING. 
De Bijbelse traditie ziet de ontplooiing van de mens vaak als een verlossing uit, een bevrijding van een 'gevallen' toestand. De mens kan zichzelf niet bevrijden en moet verlost worden door iemand anders, door een verlosser; voor christenen is Jezus* dit. Er is een belangrijk verschil tussen het Westerse en het Oosterse christendom: het eerste ziet die verlossing als een pijnlijke breuk (Jezus schenkt de mens verlossing, objectief, en dit moet subjectief toegeëigend worden in berouw, vergiffenis en herstel); het tweede ziet de verlossing in een langzame transfiguratie van het slechte in het goede, in een 'vergoddelijking' van de 'zondaar'.
VREDE.
Het streefdoel van elke mens en van de mysticus* is de vrede: spirituele vrede in het allerdiepste centrum* — vrede met 'God' binnenin* —, maar ook psychische, innerlijke vrede, en ook lichamelijke rust*, en tenslotte sociale vrede, met geliefden, kennissen en naasten dichtbij, en onder groepen en volkeren en religies* veraf.
VRIENDSCHAP. 
Vriendschap speelt een grote rol in de spiritualiteit* van de Karmel* sedert Teresa* van Jezus aan groot vriendenhart had, vele levenslange, intense vriendschappen koesterde en haar godsrelatie ook beleefde in en doorheen de vriendschap met Jezus* van Nazareth. Bidden* is de zich verdiepende vriendschap tussen de mens en God. Het wonder is dat men een menselijke vriendschap met het Ultieme* kan beleven in en door Jezus.
WEG. 
In alle spirituele* en mystieke* tradities speelt de metafoor van de weg een grote rol: de eenwording* met en omvorming* van de mens in het Ultieme* is een gradueel en langzaam proces, een weg die moet gegaan worden, met allerlei etappes en avonturen. Teresa* van Jezus heeft een geschrift waarin ze deze beeldspraak als leidraad neemt: de Weg van volmaaktheid. Voor haar is het gebed* de korte weg naar 'God'*. Voor Thérèse* van Lisieux is het vertrouwen in  en de overgave aan de barmhartigheid van 'God' een 'kleine weg'.
WOESTIJN. 
De eerste karmelieten* op de berg Karmel* inspireerden zich aan de woestijnvaders. De woestijn is een oerbeeld voor de stilte* en de eenzaamheid* die zij opzochten om zich uit te leveren aan het Ultieme* zonder afleiding. 
Karmel: mystieke traditie
Uit:
Carlos Noyen,
Bij de bron van Elia. De mystieke traditie van de Karmel,
Carmelitana, Gent, 2003.
 
Drinken uit de beek
 
    
In 1214 wordt Jacob van Vitry bisschop van Acco, de majestueuze burcht van de kruisvaarders in Palestina, mooi gelegen aan de zee. Vanuit Acco heeft hij een zicht op het Karmelgebergte dat in Haïfa uitloopt in de baai. Hij heeft gehoord over de broederkluizenaars die er in het voetspoor van de profeet Elia willen leven. Eendaags lukt het hem deze  eremieten te bezoeken. Vol waardering schrijft hij later zijn indrukken over hen neer: "Als bijen des Heren vergaren ze in de korven van hun cellen honing van geestelijke zoetheid". Dit verslag kan ons doen glimlachen, maar de uitdrukking is bijbels geïnspireerd. Herhaaldelijk bezingen de psalmen het woord van God aldus: "Het woord van Jahwe proeven is zoeter dan honing, dan honing de raten overvloeiend" (19, 10-11); "Hoe heerlijk smaken mij uw beloften, als honing zijn zij in mijn mond" (119, 103). Van de kluizenaars verwacht Albertus' Regel dat ze "dag en nacht de wet van de Heer (= het woord Gods) overwegen". Dat is geen intellectuele bezigheid, een uitpluizen met het verstand, maar een proeven met het hart.
 
In 1293 wordt Acco door de Saracenen veroverd en geplunderd. Zo valt het laatste bolwerk van de christenen. Kort daarop moeten ook de kluizenaars in het Karmelgebergte vluchten en hun geliefde plek bij de bron van Elia definitief verlaten. Maar nog lange jaren blijft het heimwee naar de schoonheid en de stilte van die eenzame plek nazinderen. Is dit één van de redenen waarom de Catalaanse karmeliet Filipe Ribot in een verzamelwerk met karmelitaanse documenten ook de Institutio primorum monachorum opneemt? Het gaat om een merkwaardig geschrift: nergens wordt in de titel de Karmel of de naam van een karmeliet vermeld. Heel sterk wordt de profeet Elia belicht als model van de aspirant-kluizenaars. Historici zijn het nog niet eens in hun antwoord op de vraag: Wie is de auteur en wanneer werd het geschreven? Sommigen tippen op Ribot zelf (einde veertiende eeuw), anderen dateren het minstens een eeuw vroeger. Het blijft een moeilijk punt. Maar alle historici beweren dat dit geschrift van groot belang is geweest in de mystieke traditie van de Karmel, zeker sinds de eerste druk in 1507. Zonder twijfel heeft het het vuur van de mystieke ervaring brandend gehouden. Tot in de zeventiende eeuw wordt dat boek beschouwd als de oudste Regel van de Orde! Teresia van Avila en Johannes van het Kruis moeten het gekend en gewaardeerd hebben. In elk geval fungeert het als een getuige van de karmelgeest in de middeleeuwen.
 
Iets meer over de inhoud. De titel is veelzeggend: Vorming van de eerste monniken. Het boek wil inderdaad een inleiding en opleiding geven aan de jonge kandidaat-kluizenaars. Het is opgevat in de vorm van een dialoog tussen een meester en een leerling. Het geschrift kan nog in twee delen onderscheiden worden. Alleen het eerste gedeelte (negen hoofdstukken) is nog enigszins genietbaar. De hedendaagse lezer zal wel moeite hebben met de manier van denken en spreken, de zeer symbolische verklaring, de zeer ascetische toon. Voorzover ik weet is het boek slechts éénmaal volledig vertaald (namelijk in het Spaans). Moderne vertalingen beperken zich tot het eerste gedeelte dat als een ascetisch en mystiek document wordt gezien. In het tweede gedeelte wordt uitdrukkelijk de band met de Karmel gelegd: Elia wordt er als stichter van de Orde voorgesteld. Deze visie leidde tot hoogoplopende discussies in de zeventiende eeuw, zo erg zelfs dat de paus tussenbeide moest komen om aan de twee partijen het zwijgen op te leggen!
 
Dubbel doel
 
Vorming van de eerste monniken is dus een handleiding voor kluizenaars die naar de volmaaktheid streven. Elia wordt als model gesteld en wel in één bepaalde episode, namelijk zijn vlucht naar de beek Kerit:
 
"Het woord van de Heer werd tot Elia gericht: Vertrek van hier en ga naar het oosten, en houd u verborgen in het dal van de Kerit, die in de Jordaan uitmondt. Uit de beek kunt ge drinken en aan de raven heb Ik u bevolen u daar van voedsel te voorzien" (1 Kon 17, 3-4).
 
De eremiet moet zich zoals Elia verbergen in het dal van de Kerit. Het gaat daarbij niet zozeer om de materiële woestijn als wel om de stilte en vrijheid van het hart. Opvallend is toch wel de nadruk die de schrijver legt op de inspanning van de mens in zijn strijd tegen gehechtheden en hartstochten. Een bekende en prachtige tekst uit het tweede hoofdstuk biedt gelukkig een meer volledige en evenwichtige visie:
 
"Het doel van dit leven is tweevoudig. Het ene doel, dat wij kunnen bereiken met onze inspanning en door inoefening der deugden, met de hulp van Gods genade, is: God een heilig hart aanbieden, gezuiverd van elke aanwezige smet van zonden. Dit doel bereiken wij, wanneer wij volkomen zijn in Carith, dat wil zeggen in Caritate = verborgen in de liefde waarvan de Wijze zegt: 'Liefde bedekt alle fouten' (Spr 10, 12). God wilde dat Elia dit doel zou bereiken. Daarom zei Hij: 'Verberg je in de beek Carit'. Het andere doel van dit leven echter wordt ons geschonken als een pure gave van God, namelijk: niet enkel na de dood, maar reeds in dit sterfelijk leven op enigerlei wijze in het hart te smaken en in de geest te ervaren de kracht van de goddelijke aanwezigheid en de zoetheid van de verheven heerlijkheid. Dit is nu het drinken uit de beek van Gods geneugte. Dit beloofde God aan Elia, toen hij zei: 'En daar zul je drinken uit de beek'…"
 
Bij deze rijke tekst wil ik langer stilstaan. De auteur geeft de indruk dat wij ergens het zwaarste werk moeten doen. Het eerste doel lijkt van ons streven af te hangen ('met onze eigen inspanning en door de inoefening van de deugden God een heilig hart aanbieden…'), weliswaar 'met hulp van Gods genade', maar toch: heel veel lijkt van ons af te hangen: wij moeten volmaakt worden in de liefde. Het andere doel schijnt dan als resultaat en beloning van onze harde strijd te komen: nu reeds God ervaren. Wat ik hier doe is evident een gebrekkige uitleg geven. Zó mag die tekst niet verstaan worden, al kan de manier van voorstellen daartoe aanleiding geven. De visie van de auteur is integendeel gezond: van ons wordt verwacht dat wij meewerken met de genade om ons hart te zuiveren en te bevrijden. Centraal staat daarbij de beleving van de liefde. Als een pure gave kan God ons de genade schenken Hem te mogen smaken en ervaren, nu reeds. De Nederlandse karmeliet Titus Brandsma (1881-1942) merkt bij deze tekst op: "Voorzover ik weet heeft nog nooit in geen enkele kloosterorde een boek dat een levensregel aanbiedt en het doel verklaart waarnaar de leden moeten streven, zo formeel de roeping tot het mystiek leven verwoord". 
 
Kan de Godservaring voorgesteld worden als doel , als het tenslotte om een pure gave van God gaat? Meer dan eens geeft de auteur de indruk: eerst moet je volmaakt zijn in de deugden, vooral in de liefde; dan komt vanzelf die ervaring. Maar zo is het niet! Om alle misverstanden te voorkomen is het goed een tekst uit het achtste hoofdstuk te citeren. De auteur moet daar antwoorden op een vraag:     ‘Waarom moet de kluizenaar soms wachten op die ervaring of na een periode van ervaring, volharden in dorheid?’ Het antwoord luidt:  steeds drinken aan de stroom van Gods geneugte is niet mogelijk. Vooreerst omwille van de zwakheid van onze aardse situatie die we nederig moeten aanvaarden. Voorts is het een stimulans om te blijven zoeken: "De leerlingen moeten weten dat ze het voedsel van Mij (God) ontvangen." En nog duidelijker: "Indien je niet onmiddellijk opnieuw toegelaten wordt tot dat vreugdevol smaken van mijn zoetheid zoals weleer, dan geschiedt dit opdat je zou weten dat je voorheen die zoetheid niet hebt bereikt door jouw verdiensten, maar door mijn vrijgevigheid; bovendien opdat je vuriger zou verlangen en met hernieuwde krachten je beter ontvankelijk maakt om ze te verkrijgen."
 
Drinken en smaken
 
Het tweede (en zelfs belangrijkste) doel van het kluizenaarbestaan is mooi omschreven: "Reeds in dit leven op enigerlei wijze in het hart smaken (gustare) en in de geest ervaren (experiri) de kracht van de goddelijke aanwezigheid en de zoetheid van de verheven heerlijkheid".
 
Deze manier van spreken duidt ondubbelzinnig op ervaringsmystiek. Reeds in het eerste hoofdstuk van de Vorming van de eerste monniken zegt de leermeester: "Deze levensvorm bestaat enkel uit de ervaring zodat deze levenswijze enkel ten volle verwoord kan worden door wie ze ervaren heeft".
 
Deze ervaring wordt nog meer gepreciseerd door de uitdrukking "in het hart smaken" (in corde gustare). Nog elders in hetzelfde tweede hoofdstuk wordt het tweede doel van het eremitisme aldus voorgesteld: "reeds in dit leven op enigerlei wijze ondervinden (experiri) of op mystieke wijze in het hart zien (videre): de kracht van de goddelijke tegenwoordigheid, en de zoetheid van de verheven heerlijkheid smaken". Er is dus een onbetwistbare gelijkschakeling tussen ondervinden, mystiek zien en smaken. In de reeds eerder geciteerde tekst van dit tweede hoofdstuk wordt er zelfs aan toegevoegd: "Dit (nl. dat smaken en ervaren) nu is drinken uit de beek van Gods geneugte.” Met verschillende woorden probeert de auteur een onverwoordbare ervaring neer te schrijven.
 
'Drinken' en 'smaken' zijn eigenlijk de twee meest gebruikte termen om de mystieke Godservaring te suggereren. Het zijn, uiteraard twee woorden die dicht bij elkaar liggen. Vooral in het zevende hoofdstuk gaat het 'drinken' centraal staan. De auteur of meester nodigt de leerling uit het hart te zuiveren van alles wat in strijd is met de liefde tot God of deze in intensiteit vermindert; gedachten en gevoelens moeten bewaakt en gefilterd worden. De Heer belooft dan: "Je zult aan de beek drinken. In die volmaakte eenheid tussen jou en Mij, zal ik jou en je metgezellen laven met het water van de beek waarvan de profeet spreekt: 'Gij zult ze laven aan de stroom van uw geneugten' (Ps 36, 9)". Iets verder komt de auteur terug op deze tekst: "Als antwoord op je sterke en volmaakte liefde, door jou bereikt, zal de Heer je 'stromen van goud' geven, d.w.z. die onuitsprekelijke geestelijke genoegens waarvan gezegd wordt: 'Het oog ziet niet, het oor hoort niet, de geest van de mens stelt zich niet voor wat God bereid heeft voor wie Hem liefhebben' (1 Kor 2, 9). Die genoegens worden met stromen vergeleken omdat ze, onstuimig en met grote vreugde de geest van de profeet binnenstromen…" Deze tekst roept het bekende vers van de dichteres Reninca op: “Bidden is bedding zijn voor bovenaardse stromen.”
 
Het 'drinken aan de stroom' doet ons Gods tegenwoordigheid 'smaken' of 'zijn kracht en geneugten' ervaren. Het gaat om een duister contact, niet een helder zien; om een aanraking en een voelen. Dit is een klassiek thema in de mystieke traditie, vanaf de bijbel: "Smaakt en ziet hoe goed de Heer is" (Ps 34, 9 in de Latijnse vertaling) tot in de Middeleeuwen (Bernardus, Willem van Sint-Thierry, Bonaventura) en ook nadien (Teresia van Avila). Hiermee wordt een niet-verstandelijke maar een intuïtieve en on-middellijke  ervaring aangeduid. Men vindt smaak in Gods woord, in het levende brood, in Gods goedheid, zijn wijsheid (in het Latijn liggen 'sapere' - smaken - en 'sapientia' - wijsheid - in elkaars verlengde). Meestal (niet altijd) wordt daarmee een ervaring aangeduid die de mens geschonken of gegeven wordt. Het is niet iets dat ik kan opwekken. Smaak vinden in iets is eigenlijk een passief gebeuren!
 
Alleszins is dit duidelijk: smaak heeft te maken met liefde. Ik kan alleen smaak vinden in wat mij bevalt, in wat mij aantrekt of vervult. Joannes Soreth, generaal overste van de Karmel in de vijftiende eeuw, richt zich tot zijn medebroeders in een Aansporing, uitgaande van een bedenking op de Regel. Blijkbaar is hij ook beïnvloed door de tekst van de Vorming van de eerste monniken als hij schrijft: "Leer van Christus hoe je Hem moet liefhebben. Leer Hem met smaak beminnen uit heel je hart, met voorzichtigheid uit heel je ziel, met kracht uit heel je vermogen. Met smaak om je niet te laten verlokken, met voorzichtigheid om je niet te laten misleiden, met kracht om je niet te laten afkeren van de liefde tot God, noch je te laten meeslepen door de verblinding van de wereld… Moge in de plaats daarvan de wijsheid van Christus iets lekkers en iets zoets zijn voor je gevoel, dat de aangename verlokkingen van het vlees voor jou smakeloos maakt en moge de ene zoetheid de andere overwinnen… God is wijsheid en Hij wil niet alleen dat wij Hem met smaak zouden liefhebben, maar Hij wil ook dat wij het met wijsheid doen." Is die aansporing tot voorzichtigheid en wijsheid gericht tot mensen die te sterk de nadruk leggen op boete en onthechting, in de lijn van het boek over de Vorming van de eerste monniken?
 
Gezonde mystiek
 
De auteur van de Vorming insisteert heel sterk op de noodzaak voor de mens om zijn hart vrij te maken van alle zonde, onvolmaaktheden, begeerten, verkeerde fantasieën. Voor de hedendaagse lezer klinkt dit alles zeer veeleisend en bijna onmogelijk. Nog nooit leefde de mens in een wereld met zoveel mogelijkheden aan afleiding, amusement, cultuur, informatie enz. Hoe kan men ooit tot innerlijke stilte komen? Een moeilijke vraag. Veel minder talrijk zijn de mystieke teksten in het boek van de Vorming. De mystieke ervaring wordt er duidelijk als de roeping van de kluizenaar gezien. Is ze ook weggelegd voor andere christenen? Zeker, maar ook zij zullen de weg van de deugden en de liefde moeten gaan. Moeilijker zal toch de innerlijke stilte zijn. De mystieke ervaring wordt in het boek van de Vorming beschreven met beelden (drinken, smaken…) maar niet geanalyseerd. Het weinige dat de auteur zegt is nochtans van groot belang.
 
Vooreerst: het gaat om een mystiek van éénwording met of omvorming in Christus. Geen versmelting of vaag opgaan in een mysterie. In het vierde hoofdstuk beschrijft de auteur het toppunt dat de kluizenaar moet bereiken: "Zij die Christus Jezus willen toebehoren, hebben hun zelfzucht met haar hartstochten en begeerten gekruisigd (Gal 5, 24) en dragen altijd het sterven van Jezus in hun lichaam mee, want ook het leven van Jezus moet in hun lichaam openbaar worden (2 Kor 4, 10). Eenmaal omgevormd in Christus' dood, zullen zij de eeuwige glorie bereiken…" Het gaat dus om gezonde christelijke mystiek, om het open bloeien van de doopgenade in het leven van de mens, om de heiligheid. Het geluk smaken van die doorbraak van de genade is drinken aan de stroom van Gods liefde, is m.a.w. mystieke ervaring. Opgelet: die mystieke ervaring kan ook voorkomen bij mensen die niet gedoopt zijn in Christus. Een mooi voorbeeld daarvan vinden we in het leven van Camille C.: ze wordt totaal ongodsdienstig opgevoed, maar als klein meisje is ze vervuld van een onbekende en mysterieuze golf van liefde en schoonheid terwijl ze zit te luisteren naar het klassieke pianospel. Pas veel later beseft ze dat dit al een echt Godscontact was. 
 
Deze eenwording veronderstelt dat mijn wil gelijkvormig is (of wordt) aan Gods wil. Ik verlang nog enkel zijn wil te doen. De auteur drukt het zo uit: "Er staat geschreven: 'Als je je met nederigheid naar de Almachtige zult keren, als je de ongerechtigheid uit je tent zult verwijderen… dan zul je je verheugen in de Almachtige en zul je tot God je gelaat opheffen' (Job 22, 23-26)" (zevende hoofdstuk). Het is onmogelijk één te zijn met God als we niet de ongerechtigheid (alles wat tegen zijn wil en wet ingaat) verwijderen. Deze visie vinden we bij alle mystieke auteurs terug. Teresia van Avila meent toch dat God soms die mystieke ervaring schenkt aan iemand die nog in zonde vastzit, precies met de bedoeling hem eruit te bevrijden; zonder die goddelijke aanraking zou het niet lukken. Hetgeen nog maar eens bevestigt dat het mystiek ervaren van Gods liefde nooit mag gezien worden als een beloning of resultaat van onze inspanningen.
 1. Historia Hierosomolitana, in Gesta Dei per Francos, J. Bongers, Hanoviae, 1611, I, blz. 1075.
 2. Traditioneel luidt de titel in het Nederlands Het boek der eerste monniken (In het Frans: Le livre des premiers moines). Op dit ogenblik is de Nederlandse tekst niet meer beschikbaar. Een vertaling van het eerste gedeelte (hoofdstuk I-IX) is te vinden in het tijdschrift Carmel, 1948, blz. 249-277. De volledige Latijnse tekst is te vinden bij DANIEL A VIRGINE MARIA, Speculum Carmelitanum, Antverpiae, 1680, I, blz. 1-144 .Ribot stelt Johannes, bisschop van Jeruzalem, in de vijfde eeuw, voor als de auteur. Een onhoudbare stelling! Hij zou het opdragen aan de monnik Caprasius, die Johannes een onderrichting over het kluizenaarsleven had gevraagd.
3.  De beek Carit (Kerit) wordt dus gezien als de stroom van de liefde (caritas).
4.  Dictionnaire de Spiritualité, t. II, Col. 160.
5.  Zie het mooie boek van Henri CAFFAREL, Door God gedragen, Carmelitana, Gent, 2000. 
6.  Weg van volmaaktheid, 16,6 en 8 (Mystieke werken van Teresia van Avila, dl. 1,Carmelitana, Gent, 1980).